Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is uitgesloten, al blijft de rechter dan vrij het vonnis wèl of niet te volgen (echter met inachtneming van het daaromtrent hiervóór p. 283 v. o. gezegde). En de bevoegdheid van den derde om vol te houden dat de tusschen de vroegere procespartijen vastgestelde rechtsbetrekking eerst krachtens het vonnis zoo geworden is (vgl. p. 278 hiervóór), moet hem niet worden ontnomen, omdat hij in het civiele geding niet is gehoord, en er geen bizondere redenen schijnen aan te wijzen om te zijnen nadeele van den regel in deze af te wijken. — Bij W. B. A. 2850 vgl. H. Reuyl in R. Mag. 14 (1895) p. 532-535.

Roëll en Oppenheim in R. Mag. 18 (1899) p. 223 (= Bijdrage I p. 85) zijn tegen erkenning van gezag van gewijsde over en weer, op grond der noodzakelijke zelfstandigheid van den rechter, een argument, dat in die algemeenheid de strekking heeft het geheele gezag van gewijsde af te schaffen, en waartegen zie PRAzaK in Archiv für öffentliches Recht 4 p. 296.

Of speciale voorschriften ten deze noodig zijn, is nog de vraag. Misschien om twijfel af te snijden ')> doch men zou kunnen afwachten of de jurisprudentie, na invoering van het Wetb. v. Adm. Rv. niet vanzelf tot een bevredigend resultaat komt. — Wat schorsing van het geding betreft, vgl. nos. 26, 27subci. f., en 42 sub b hiervóór, alsmede no. 53 hierna. — Overweging schijnt te verdienen een uitdrukkelijke bepaling, die den strafrechter gebonden verklaart aan een den beklaagde gunstige uitspraak van den administratieven rechter, voorzoover het onderwerp daarvan reikt; vgl. W. A. C. de Jonge in Bijdr. St.-best. 14 p. 291, en Rb. Rott. 2 Maart 1899, vermeld in no. 63 hierna; zie ook no. 62 sub aa en cc i. f. — Ygl. verder het omtrent 's rechters lijdelijkheid opgemerkte in no. 64 i. f. en het begin van no. 67.

!) Op dien grond ware m. i. wenschelijk een algemeene bepaling dat voor het gezag van een vonnis, onder partijen steeds mede begrepen zijn zij, die hun rechtverkrijgenden werden na het aanhangig worden van het besliste geding. Vgl. W. v. N. R. no. 1950 p. 242.

Sluiten