Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van, en nog minder is dit een tweede uitspraak in gelijken geest als de eerste 1).

De leer dat het gezag van gewijsde moet steunen op speciale wetsbepaling, is vooral verkondigd door v. ISavigny, System 6 p. 259, bij ons gevolgd door Faure, Proc. recht, II, 4e ed. p. 306—307. In dien zin ook Diephuis, Het Ned. Burg. recht, III (1874) p. 271 v. b., en Vlielander Hein in Themis 1868

1) Of de Centr. Raad ook andere uitingen van het gezag van gewijsde aanneemt. is niet met zekerheid te zeggen. Het tegendeel kan worden opgemaakt uit twee uitspraken betreffende voorloopige rente-toekenningen, nl. C. R. 26 Nov. 1907, Weekbl. R.spr. Soc. Verz. 1907 no. 48 sub 2». en G. R. 5 Dec. 1905, W. R.spr. Ongev. Verz. 1906 no. 58 sub 84"., C. Org. 3 p. 229, in verband met de beslissing waarvan appèl, van Raad v. Beroep Amst. 17 Juli 1905 W. R.spr. Ongev. Verz. 1.1. sub 83°, G. Org. 3 p. 32, welke Raad v. Beroep onbeperkt gezag van gewijsde had aangenomen. — Naar aanleiding mede der geciteerde uitspraak van 26 Nov. 1907 is, terwijl deze blzz. worden gekorrigeerd, juist een polemiek verschenen van E. M. M(eyers), die in Sociaal Weekblad 1908 p. 85 kol. 2, en p. 100 kol. 1, de beslissing bestrijdt als miskennend het gezag van gewijsde, — met W. H. M. Werker in diens Weekbl. R.spr. Soc. Verz. 1908 no. 12 p. 2—3, en no. 14 p. 2—3, de bedoelde uitspraak verdedigend. Hoewel het mij onbekend is in hoever W.'s betoog (dat m i. op verschillende belangrijke punten aan bedenking onderhevig is, waarop hier echter niet nader kan worden ingegaan), de opinie van den C. Raad weergeeft, — schijnt het toch aan te toonen dat dit college in 1907, mede op de door zijn griffier aangevoerde gronden, kan hebben gemeend bij zijn uitspraak niet in botsing te komen met het vroegere gewijsde. Reeds hierom bewijst de geciteerde beslissing niet dat de C. R. mèt W. (1.1. no. 12 p. 3) het gezag van gewijsde wil beperken tot het ne bis in idem. Voor het geval de G. R. dit echter wél mocht bedoelen op het door W. aangegeven motief («sociale» opvatting), worde hier — daargelaten al hetgeen verder tegen W.'s standpunt in deze kan worden aangevoerd — enkel de vraag gesteld of, hoe ruim men ook de taak achte van den rechter, deze naar eigen goeddunken de grenzen dier taak en van het gezag der rechterlijke uitspraken, waar de wet hieromtrent zwijgt, zelf mag bepalen. — Intusschen niet alleen niet uit de beslissing van 1907, maar evenmin uit die van 1905 is met zekerheid af te leiden dat de G. Raad in het algemeen loochent wat men de positieve kracht van het gewijsde noemt. B.v. bestaat de mogelijkheid, dat zij beide steunen op de zienswijs als zou over feiten nooit met gezag van gewijsde worden beslist (waartegen zie overigens hiervóór p. 176—177 v. b. jls. 153—154, 166—167; vgl. daarbij de iure con-

Sluiten