Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1870, vermeld bij R. v. St. 11 p. 111—112, —zich niet gebonden aan het Kon. Besl. van 28 Nov. 1864 R. v. St. 4 p. 51 en 410, G. st. 702, W. B. A. 826, waarbij een geschil van bestuur over den onderhoudsplicht van een brug ten nadeele van Dokkum was beslist. Tegen deze gemeente werd voor de Rechtbank te Leeuwarden ingesteld een eisch tot betaling van herstellingskosten der brug. Bij K. B. 17 Okt. 1869 R. v. St. 9 p. 224 en 286, G. st. 961, was gehandhaafd de weigering van Ged. St. (die de eischende gemeente wèl hadden gemachtigd) om Dokkum te machtigen zich tegen bedoelden eisch te verweren. Genoemd K. B. van 1869 motiveerde hiermee dat het gezag, waarvan de beslissing van 1864 afkomstig was, niet kon meewerken om daaraan verbindende kracht te ontnemen door de machtiging om hetzelfde geschilpunt opnieuw aan een rechterlijke uitspraak te onderwerpen. Nadat Dokkum zonder machtiging toch in het proces was opgetreden, en door de Rechtbank in het gelijk gesteld, weigerden Ged. St. ook nu te machtigen tot verdediging op het ingesteld appèl. Hiertegen kwam Dokkum bij de Kroon op in een adres, waarvan een overzicht in G. st. 1014. Bij K. B. .24 Mei 1871 R. v. St. 11 p. 178—180 (ji«. p. 110—113), G. st. 1029, werd nu Dokkum gemachtigd, — op grond dat, al was er geen overeenstemming tusschen het vonnis der Rechtbank van 1870 en het K. B. van 1864, omtrent de juistheid der beslissing van den burgerlijken rechter, in eersten aanleg gegeven, alléén door den hoogeren rechter kan beslist *). — Het vonnis

!) Deze motiveering is m. i. niet gelukkig: de beslissing over het al dan niet machtigen tot procedeeren in appèl, loopt zelf nooit over de juistheid van het vonnis. Werd bedoeld dat hierbij niet mocht in aanmerking komen het oordeel van administratief gezag over de juistheid van het vonnis, dan kan dit niet worden toegegeven; zoodoende zou zulk een machtiging bijna nooit mogen geweigerd. Dit laatste echter zal in den regel wel slechts dan zijn te billijken, als de aanvrager hoogstwaarschijnlijk toch door den rechter in het ongelijk zal worden gesteld, en dit was niet het geval in 1871, al kon in 1869 een andere uitspraak worden verwacht dan de Rechtbank in '1870 gaf.

Vgl. hierbij K. B. 11 Sept. 1878 Stbl. 136.

Sluiten