Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Rb. Leeuw, werd bevestigd door Hof Friesland 27 Dec. 1871. —- Vgl. hieromtrent W. A. C. de Jonge in Bij dr. St.-best. 17 p. 331—338, Heemskerk De Praktijk onzer Grondwet II p. 49—51, Léon—Vos no. 1 op art. 194/j Gem.wet.

De Rechtbank te Leeuwarden had overwogen dat het K. B. van 1864 den onderhoudsplicht eigenlijk onbeslist had gelaten. Wegens deze — m. i. overigens kennelijk onjuiste — opvatting van gemeld K. B., zou men kunnen zeggen dat het vonnis het bindend gezag eener administratiefrechterlijke uitspraak voor den burgerlijken rechter, niet in het algemeen ontkende. Buitendien nam de Rechtbank aan dat de Kroon incompetent was voor het geschilpunt over den onderhoudsplicht, als zijnde deze volgens de Rb. privaatrechtelijk, waartegen de Jonge 1.1..; vgl. op art. 2 R. O. sub D no. 10 en Alg. Begins. VI no. 9.

5i. gg. Yoorzoover onze jurisprudentie, hetzij betreffende onderhoudsplicht, hetzij in andere aangelegenheden, de door het administratief gezag gegeven beslissingen eerbiedigt, houdt zij daarom alléén nog niet een erkenning in der gebondenheid van burgerlijken of strafrechter aan de uitspraak in het administratief geschil als zoodanig. De jurisprudentie toch eerbiedigt vaak ook zuiver administratieve beslissingen, waarbij geen rechtspraak aanwezig is, — en naar onze wetgeving zijn aan administratieve autoriteiten dikwijls zoowel rechterlijke als administratieve funktiën opgedragen. — Speciaal wat betreft de jurisprudentie, die de administratieve liggers in zake onderhoudsplicht bindend acht, is het op zijn minst twijfelachtig, of daarbij moet gedacht aan erkenning van gezag van gewijsde in administratieve rechtspraak; vgl. hierna nos. 94 en 95 jo. no. 88. — Ook de administratieve beslissing op de reklame tegen den ligger is niet noodzakelijk rechtspraak krachtens art. 153 Prov. wet, doch kan zijn een zuiver administratieve maatregel, vereischt vóór het definitief worden van den ligger, hetgeen afhangt van de strekking van het betrekkelijk reglement. — Vgl. H. R. 23 Maart 1874, en Ktg. Gron. 30 Okt. 1893, beide vermeld hierna in no. 90, en implicite aannemend gebondenheid van

Léon: Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, aü. 1 19*

(Mr. L. van Pkaag, Hecht. Org.)

Sluiten