Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den rechter aan de beslissing van het administratief gezag over onderhoudsplicht, naar aanleiding van den ligger genomen, — doch in het gegeven geval niet aan den ligger alléén, ingevolge de bepalingen van het betrekkelijk provinciaal reglement. — Vgl. ook H. R., twee arresten van 4 Mei 1858, H. R. 5 Okt. 1859, en H. R. 28 Dec. 1870, alle vermeld in no. 88 hierna, en duidelijk onderscheidend tusschen het vaststellen van den ligger, en het beslissen van geschillen hierover. Deze jurisprudentie betrof de gebondenheid van den strafrechter. — Die van den burgerlijken rechter aan dergelijke beslissingen van het administratief gezag in geschillen over den ligger gegeven, is aangenomen door Rb. 'sGrav. 20 Maart 1883, bevestigd door Hof 's Grav. 28 Jan. 1884; in gelijken geest in cassatie H. R. 5 Dec. 1884. Zie deze drie beslissingen hierna in no. 93. De motiveering doet onderstellen dat, als er geen uitspraak op reklame was geweest, doch enkel vaststelling van den ligger, ook deze zou zijn geëerbiedigd.

Uit arresten als die van 10 Maart 1902, geciteerd hiervóór in no. 36; van 23 Dec. 1907, 1 April 1902, en 3 Mei 1864, geciteerd hiervóór in no. 38, — is niet met beslistheid erkenning van gezag van gewijsde der administratiefrechterlijke uitspraak af te leiden. Ygl. de genoemde nos. 36 en 38.

3«. hh. Het Reg.-Antw. op het Verslag der Commissie van Voorbereiding van de Tweede Kamer over de Beroepswet 1902 Stbl. 208, Bijl". Handn. 1901—1902 no. 78, 5 § 7 p. 40 kol. 2 ^

1) Vgl. 1.1. kol. 1 de vraag in het Verslag, waarop bedoeld Reg.-Antw. slaat. Die vraag was, of in het geval van art. 87 lid 2 der Ongevallenwet de burgerlijke rechter is gebonden aan de beslissing van den ongevallen-rechter over de kwestie of het ongeval in verband stond met de uitoefening van het bedrijf, — en, bij ontstentenis van zulke beslissing, aan die der Rijksverzekeringsbank. Op dit laatste punt ontkende de Regeering elke gebondenheid van den burgerlijken rechter. De Bank is dan ook geen administratief rechter. — Wat het eerste punt betreft, ontkende de Regeering ook voor het geldende recht de gebondenheid, op grond dat de wet ze niet voorschryft. M. i. is dit argument op zichzelf niet afdoende; vgl. nos. 45 en 46 hiervóór. Intusschen zullen in het hier besproken geval de partijen in de twee gedingen niet dezelfde zijn; vgl. hiervóór p. 293.

Sluiten