Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meende, dat het met art. 153 Grw. zou strijden den burgerlijken rechter te binden aan de uitspraak van den administratieven. M. i. is die opvatting onjuist. Aan de competentie van de rechterlijke macht wordt niet te kort gedaan, als zij bij haar uitspraken gebonden is aan beslissingen van een ander eveneens competent rechter, omtrent onderwerpen niet in art. 153 Grw. begrepen, — beslissingen welke de rechterlijke macht, zoo hiertoe overigens termen zijn, evengoed heeft te eerbiedigen als casu quo die van haarzelf.

Vgl. hierbij ook W. B. A. 2846 en 2850, alsmede Gaupp— Stein, Die C. P. O. für das deutsche Reich, 6—7 ed. (1904) I p. 380, 381 v. o., 382 v. o. — 383 v. b., jo. § 148 C. P. O., — en Béquet, Répertoire du droit. admin. IV (1885) i. v. Chosejugée. Deze laatste neemt voor het bestaande recht art. 1351 C. C. te veel als uitgangspunt. Dit artikel is, evenals ons art. 1954 B. W., alléén geschreven voor vonnissen van den burgerlijken rechter; vgl. H. R. 15 April 1904, geciteerd op de volgende p. 300.

Bindend gezag der beslissingen van den administratieven rechter in het burgerlijk proces wordt uitdrukkelijk aangenomen door Garsonnet, Traité de proc., 2. éd. (1899) III § 1134, nt. 2 op p. 564.

53. d. Gebondenheid van den burgerlijken rechter aan de beslissingen van den strafrechter.

aa. Hieromtrent zie artt. 265*), 1413 lid 1, 1955 en 1956 B. W. j°. art. 4 Sv. — Vgl. art. 1960 B. W. naar het aanhangig Ontw. wijziging boek IV. — Art. 3447 Ontw. 1820 schreef bindend gezag van het strafvonnis in het burgerlijk geding voor, terwijl art. 1955 B. W. tegenbewijs toestaat. Dit laatste is onvereenigbaar met het begrip bindend gezag, dat dus voor het. strafvonnis in het burgerlijk geding niet is erkend, voorzoover art. 1955 reikt; vgl. ook hiervóór p. 202—203 sub g. Ygl. mede de juiste opmerking in de Mem. v. Toel. op bovengenoemd

!) Waarbij vgl. art. 241 Swb. en Faure, Proc. recht II, 4« ed. p. 322.

Sluiten