Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

delikt, doch wèl voor die van een civielrechtelijke verhouding, die element is van dit delikt, — een resultaat, m. i. ongerijmd genoeg om de juistheid der bedoelde meening sterk te doen betwijfelen. Dit dubium geldt alleen dan niet, als men in het civiele geding aan het strafvonnis buiten art. 1955 om, bindend gezag toekent, — zóó dat, wordt daar het feit als bewezen aangenomen, ook de kwalifikatie van den strafrechter zou moeten aanvaard, zonder kwestie van tegenbewijs op dit punt. (Vgl. ook het hier volgend no. 54). Huldigt men echter deze zienswijze (welke niet was die der zooeven geciteerde rechterlijke beslissingen), dan komt men bij de jurisprudentie van den H. R., die aan het strafvonnis voor de elementen geen gezag toekent in een andere strafzaak, — tot deze gevolgtrekking, dat zulk gezag wèl geldt in het civiele, niet in het strafgeding1); zie de bedoelde jurisprudentie hierna in no. 59. Vgl. speciaal de aldaar geciteerde arresten van 1857, waar het eerste strafvonnis o. a. ook den onderhoudsplicht van beklaagde had aangenomen.

1) Dat bij bedoelde jurisprudentie een gelijke gevolgtrekking geldt voor het bewijs van het feit zelf, is te wijten aan de uitdrukkelijke bepaling van art. 1955 B. W., — en kan dan ook mede aangevoerd als argument tegen het behoud van het imperatief karakter van dit voorschrift, dat ook hierom niet extensief moet geïnterpreteerd, voor zoover geen dringende gronden daarvoor kunnen bijgebracht.

Tegen het «zal» in art. 1955 zie ook bij Voorduin 5 p. 532 sub XI en p. 536 sub XII. — Tegen het artikel J. A. Levy (geciteerd hierna in no. 55) 14 p. 234 — 236, en A. A. de Pinto in Hand. Jur. Vereen. 1879 I p. 66, door Levy t. a. p. aangehaald.

De hierboven in den tekst aangeduide opvatting van Rechtbank, Hof en O. M. vóór II. R. 15 April 1904, leidt nog tot andere gevolgen, niet minder vreemd dan de reeds aangewezene. Het arrest van 1904 neemt, mèt de overige geciteerde beslissingen, aan dat naar art. 1955 het strafvonnis ook bewijst tegen derden. Gesteld nu iemand wordt door den Kantonrechter bij strafvonnis op grond eener politieverordening veroordeeld b.v. wegens het als eigenaar niet behoorlijk afsluiten van zijn erf, dan is naar de in den tekst bedoelde opvatting zijn eigendomsrecht ook voor een civiel geding tegen derden bewezen, al mogen deze tegenbewijs leveren. — Naar art. 1960 volgens het aauhangig ontwerp tot wijziging van boek IV B. W. zal dit niet meer zoo zijn.

Sluiten