Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo de leer dat bet strafvonnis in het burgerlijk geding bewijs oplevert, óók voor de civielrechtelijke verhoudingen die element zijn van het delikt, juist mocht zijn, dan zou hetzelfde eveneens moeten opgaan, waar het geldt publiekrechtelijke verhoudingenx).

Bedoelde leer is verworpen door Rb. Amst. 12 Okt. 1886 P. v. J. 1887 Bijbl. 4, en implicite door Hof'sGrav. 1 Febr. 1897 W. 6976, P. v. J. 1897 no. 48, — waarbij is beslist dat een strafvonnis in het civiele geding geen bewijs oplevert voor bijomstandigheden, die het materieele feit tot overtreding stempelen, b.v. het tot openbaren dienst bestemd zijn van een stuk grond. — Vgl. ook de hier volgende nos. 55—58.

S4. bb. Het in 't voorafgaande no. 53 a. h. e. geciteerde arrest Hof 's Grav. van 1897 gaat stilzwijgend uit van de meening dat, als zekere omstandigheid niet behoort tot het „feit" in art. 1955 B. W. bedoeld, de beslissing van het strafvonnis omtrent die omstandigheid den burgerlijken rechter ook niet bindt 2). Deze opvatting is o. a. ook gehuldigd door Rb. Amersfoort 5 Aug. 1875 "W. 3907. — Het was ook die der Regeering in de Mem. v. Toel. op artt. 1955—1956 B. W., vgl. Voorduin 5 p. 528—530. Op zich zelf echter heeft bedoelde zienswijs der Regeering, als van zuiver dogmatischen aard, geen bindende kracht. Uit art. 1955 is hieromtrent niets af te leiden; of a contrario uit het artikel mag geredeneerd, is althans betwistbaar. — Voorzoover de argumenten der Regeering t. a. p. ont-

J) Ten aanzien van deze zou men zich tegen die leer niet kunnen beroepen op art. 6 Sv., als hier niet van toepassing. Maar evenmin mag m. i. dit art. tegen den H. R. als argument gebruikt wat de civielrechtelijke verhoudingen betreft. Zelfs als men aanneemt, dat de strafrechter gebonden is aan de civiele uitspraak na de schorsing der strafzaak gegeven (vgl. no. 65 hierna), volgt uit art. 6 Sv. toch niet dat de strafrechter over zulke verhoudingen nooit zelfstandig beslist; vgl. hiervóór p. 275 v. b. en de noot aldaar, ja. p. 250.

2) Een andere vraag is die of de burgerlijke rechter het in 't strafproces gebezigd bewijsmateriaal niet als indirekt bewijs (vermoeden) mag gebruiken, vgl. Rb. Rott. 6 Maart 1896 W. 6822, W. v. N. R. 1422. — Gelijke vraag doet zich voor in het strafgeding, n.1. of daar het bewijsmateriaal van een vroeger proces naar art. 406 Sv. mag gebruikt als aanwijzing; vgl. hierna no. 59 a. h. e.

Sluiten