Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leend zijn aan hetgeen de wet bepaalt over het gezag van gewijsde der burgerlijke vonnissen, gaan ze niet op. Terecht toch besliste het hiervóór in no. 53 geciteerde arrest H. R. van 15 April 1904 dat de laatstbedoelde bepalingen van het B. W. niet gelden voor strafvonnissen; vgl. ook H. R. 4 Nov. 1864 W. 2639.

Om dezelfde reden is ook niet afdoende het beroep op het gemis aan identiteit van partijen x). Men maakt het zich wel wat al .te gemakkelijk, als men meent te kunnen volstaan met hetgeen Faube, Proc.recht II, 4e ed. p. 320 — overigens terecht — tegen Meblin aanvoert, dat n.1. de bovenbedoelde identiteit hier niet aanwezig is. Dit laatste moge zijn ontkend door Merlin zelf, tegenwoordig wordt het in Frankrijk (waar onze artt. 1955— 1956 ontbreken, en wèl gezag van het strafvonnis in burgerlijke zaken wordt aangenomen) grif toegegeven. Maar men huldigt daar in den regel de opvatting dat het O. M. in het strafproces de geheele maatschappij vertegenwoordigt, en dat in elk geval het strafvonnis gezag heeft voor iedereen, — waarvan het logisch gevolg is dat identiteit van partijen onnoodig is om bedoeld gezag te kunnen inroepen in het civiele geding 2). Vgl. Huc

1) In een ander verband beriep zich H. R. 23 Dec. 1907 W. 8637, P. v. J. 724, ook voor strafvonnissen op den «regel dat een rechterlijke uitspraak alleen kracht heeft tusschen hen die er als partijen bij zijn betrokken». Implicite schijnt de H. R. hier voor strafvonnissen een soortgelijk gezag van gewijsde te onderstellen als voor het civiele vonnis, en dan onderworpen aan dezelfde regelen als dit laatste. M. i. is deze leer onjuist; vgl. ook nos. 57—61 hierna.— Voor het resultaat, waartoe het genoemde arrest van 1907 zich op den aangehaalden regel beriep, schijnt het gebezigde argument ook overbodig.

2) Eigenaardig is liet dat die consequentie door de Franschen niet wordt aanvaard voor een later strafproces; vgl. Lacoste 1.1. no. 910, p. 317, en no. 1194, p. 407, waar een m. i. niet bevredigende verklaring van dit onderscheid maken wordt gegeven. M. i. hinken de Franschen hier op twee gedachten. Zij stellen eerst de leer der drie identiteiten ook voor strafzaken op, de ook bij ons gebruikelijke vergissing begaande (vgl. hierna no. 55- en hiervóór p. 163—164, het slot van Alg. Begins. XIV no. 7 sub b), om het gezag van gewijsde per se te vereenzelvigen met het ne bis in idem. Voor het gezag van het strafvonnis in het civiele geding laten zij dan de leer der identiteiten

Sluiten