Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(geciteerd hiervóór in no. 46) no. 338 p. 435 v. o., en Lacoste, De la chose jugée, 2e éd. (1904), nos. 1182 en 1184, p. 403 en 404. — Eenigszins afwijkend Audinet, ... De 1'autorité au civil de la chose jugée au criminel,.. thèse Poitiers 1893, 2e gedeelte, no. 25 p. 145, waarbij vgl. 1.1. no. 22 i. f., p. 142, en no. 76, p. 206 x). Zie ook 1.1. nos. 8—16 (p. 128—-136) over Merlin en Toullier. — Voor de nadere ontwikkeling der Fransche leer, speciaal ten opzichte der delikts-elementen, zie hierna no. 56.

Diephuis (geciteerd in no. 46 hiervóór) III p. 270 ja. 271 v. b. noemt art. 1955 B. W. limitatief, omdat z. i. het gezag van gewijsde moet steunen op speciale wettelijke toekenning. Yoor hen echter, die dit argument niet aanvaarden (vgl. no. 46 hiervóór), blijft het de vraag, of het strafvonnis in het civiele geding geen ander gezag heeft dan uit'de wetsbepalingen hieromtrent voortvloeit 2). — Neemt men met de Franschen ook zonder wetsbepaling daarover, bindend gezag van het strafvonnis in deze aan, zoo is art. 1955 B. W. een beperking van dit gezag, dat zich dan weer zou doen gelden, voorzoover bedoeld artikel

ter zijde. — Vgl. overigens tegen het overplanten dier voor burgerlijke zaken opgestelde leer op strafrechtelijk gebied: G. A. v. Hamel, Inleiding ... Ned. Strafr. 2e ed. 1907 § 60 p. 605, aanhef van no. 4, en P. J. F. H. v. d. Rivière, Over de kracht van gewijsde zaak in het strafproces, diss. Amst. 1894 p. 77 vlgg.

!) Ook Audinet neemt aan dat het strafvonnis in den regel bindend gezag heeft voor de civiele zaak; vgl. 1.1. nos. 17—38, p. 136—160, en nos. 72—77, p. 204 —209, waarbij hij voornamelijk redeneert uit art. 3 G. d'Instr. crim. (ons art. 4 Sv); vgl. 1.1. no. 26 p. 146, no. 33 p. 152 j°. no. 9 p. 130 (vgl. ook Lacoste 1.1. nos. 1174—1181, p. 401—403). — Voor deze gevolgtrekking uit genoemd artikel schijnen echter — speciaal naar ons recht, art. 1955 B. W.— kwalijk goede redenen aan te voeren. Zie de bestrijding van bedoelde redeneering bij Faustin—Hélie, Traité de 1'action publique (1853) no. 1419.

2) Oordeelt men van wèl, dan leidt dit tot de gevolgtrekking, dat het strafvonnis in het civiele geding de daad zelf zou bewijzen behoudens tegenbewijs, doch, wordt' die daad daar eenmaal aangenomen, absoluut bindend zou zijn voor de kwalifikatie èn van het delikt zelf èn van de burgerrechtelijke of publiekrechtelijke verhoudingen, die element zijn van het delikt, vgl. hiervóór no. 53 en no. 56 hierna.

Sluiten