Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaan van een recht om te straffen, maar dit recht wordt voor het O. M. door het veroordeelend vonnis geboren x).— Daarom gaat m. i. niet op hetgeen voor het gezag van het strafvonnis ten opzichte der feiten wordt aangevoerd door Audinet 1.1. no. 24, p. 144: „la sentence du juge affirme.... en même temps que le droit [de punir], le fait, s&ns lequel le droit ne serait qu'une abstraction dépourvue de portée". Dit laatste zou juist zijn, als bindend beslist werd over het al dan niet reeds bestaan van een recht om te straffen wegens een bepaald ten laste gelegd feit.

G. St. *134, en hierna no. 61. Uit het gezegde volgt niet dat het strafvonnis gezag van gewijsde heeft, in den zin hiervóór op p. 157 nt. 1 aangegeven, alwaar met «daartegen» is bedoeld: tegen het daarin vervatte deklaratief.

Niet minder duidelijk is het dat het strafvonnis als authenthieke akte bewijst dat, en ter zake van welk feit veroordeeld is; maar dit heeft niets te maken met gezag van gewijsde.

!) Andere eindvonnissen in strafzaken maken enkel uit dat beklaagde niet gestraft zal worden wegens het ten laste gelegde feit. Een bepaling als het thans geldend art. 1956 B. W. is dan ook overbodig; vgl. hieromtrent de commentatoren op dit art., en de Mem. v. Toel. op hel Ontw. wijziging boek IV B. W.— Ook volgt uit het in den aanhef dezer noot gezegde, dat een vrijspraak van den strafrechter niet in den weg staat aan een disciplinaire vervolging. Bij deze laatste geldt het de vraag, welke maatregel van orde moet toegepast wegens een bepaald aangeduid feit. (Vgl. H. de Bie, Eenige beschouwingen over tuchtrecht, diss. Utr. 1904, die litteratuur opgeeft). Als een vrijsprekend strafvonnis, gegrond op de overweging dat beklaagde het ten laste gelegde feit niet heeft begaan, dit ook vaststelde, zou er geen sprake meer mogen zijn van disciplinaire bestraffing te dier zake. Lacoste (geciteerd p. 304 hiervóór) no. 1326, p. 445, neemt inderdaad aan dat in dit geval de uitspraak van den strafrechter den disciplinairen bindt, omdat de strafzaak het in belang wint van de disciplinaire vervolging, een argument louter van convenientie. — Overigens meent ook hij dat in het algemeen een vrijspraak door den strafrechter geen beletsel is tegen het opleggen eener disciplinaire bestraffing, omdat de graad van schuld, die vereischt wordt, niet dezelfde is; vgl. 1.1. no. 1323 en nos. 1325—1331, p. 444 - 446.

Is het in den tekst gezegde over het gemis van gezag van gewijsde bij het strafvonnis ten opzichte èn van de feiten èn van materieele rechtsbetrekkingen juist, dan is het evenzeer van toepassing voor disciplinaire beslissingen. Dat deze noch den burgerlijken, noch den strafrechter binden, leert ook Lacoste 1.1. no. 1325, p. 445, en nos. 1333—1335, p. 447.

Sluiten