Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Erkent men echter dat het doel van het strafvonnis is, te beslissen of het O. M. gerechtigd zal zijn om te straffen, en zoo ja, hoe, — dan is de bevestigende beslissing hieromtrent geen abstraktie zonder effekt, als men ze enkel daarvoor bindend acht, en niet mede voor de vraag, of het ten laste gelegde feit is begaan, en of beklaagde hieraan schuldig is. — Daarom ook heeft Glaser gelijk, waar hij, in zijn Handb. des Strafproz. II (1885) p. 69, gewaagt van den „für das Strafrecht in keiner Weise passenden Satz(es): res iudicata pro veritate habetur" 1).

Overigens is Glaser's voorstelling van doel en gezag van het strafvonnis m. i. niet scherp genoeg. Zie Glaser 1.1. p. 33, 64—65, 69 jis. 583, 585, p. 547 ja. p. 579, p. 551 ja. p. 582, en p. 553; vgl. ook denzelfde in Grünhut's Zeitschrift für das Priv. und öffentl. Recht der Gegenwart 12 (1885) p. 310, 323—324 over het onderwerp van het strafvonnis, waaromtrent hij (de leer van § 263 lid 1 der Duitsche Strafproz. Ordn. volgend) zegt dat het zou zijn de vaststelling of beklaagde al dan niet het ten laste gelegde feit pleegde, terwijl die vaststelling gezag van gewijsde zou hebben, — welk gezag echter volgens Glaser niet toekomt aan de verschillende feitelijke en juridieke vóórbeslissingen, waarop de einduitspraak berust; vgl. Handb. 1.1. p. 583 en p. 585, en bij Grünhut p. 323, alsmede het citaat in de eerste noot op dit no. 57. — Liggen deze vóórbeslissingen echter niet, als het veroordeelend strafvonnis een deklaratieve vaststelling mocht geven, daarin noodzakelijk opgesloten, zoodat zij hier dan wel zouden moeten deelen het gezag van gewijsde dat de einduitspraak zelf zou hebben? Zie in dezen laatsten geest Oetker, Glaser's Handb. III (1907) p. 113 v. b. — Vgl. hierover ook Kroschel in Gerichtsaal 53 (1897) p. 408—423, en Schanze in Zeitschrift für die gesammte Strafrechtswissenschaft 4

1) Het is bekend dat deze grond voor het gezag van gewijsde ook in burgerlijke zaken thans door de wetenschap is verlaten. Maar bij de theorie, die aan het strafvonnis dit gezag wil toekennen voor de beslissingen omtrent de feiten, zou het enkel kunnen bestaan in het pro veritate haberi. Hiertegen vgl. ook v. d. Rivière (geciteerd hiervóór op p. 304 noot) p. 38—42.

Sluiten