Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(1884) p. 446—448, 453—455, 460—462, 466—468. Schanze erkent (evenmin als Glaser en Kroschel) geen gezag der vóórbeslissingen in het strafvonnis, als hoedanig hij ook aanmerkt die over de schuld van beklaagde, — terwijl hij de leer dat het strafvonnis feiten vaststelt, verwerpt, en daartegenover stelt dat het onderwerp van het strafvonnis zou zijn het recht om straf op te leggen; zie 1.1. p. 446—447. Dit laatste is m. i. een te civilistische en gedwongen constructie, als moest het O. M. er op uit zijn om te straffen. Buitendien is het strafvonnis niet deklaratief, zie hierboven p. 309—310.

Bij het voorafgaande vgl. ook Bernatzik (geciteerd p. 277 hiervóór) p. 161, die een van Schanze eenigszins afwijkende voorstelling heeft, maar evenzeer de meening bestrijdt dat het te doen zou zijn om een bindende vaststelling van feiten.

58. ff. Het strafvonnis bevat, gelijk in het vorig no. 57 reeds is aangeduid, geen deklaratief over materieele rechtsbetrekkingen van den beklaagde *). Zijn karakter is een geheel ander dan dat der beslissingen van den burgerlijken of administratieven rechter 2). Èn de burgerlijke èn de administratieve rechtspraak beoogen — de eerste met vermijding van eigenrichting — een bestaand geschil uit te maken, daartoe materieele rechtsbetrekkingen van gedingvoerenden met gezag van gewijsde vast te stellen, en aldus rechtsonzekerheid te doen plaats maken voor rechtszekerheid. Het strafproces daarentegen wordt in Nederland door het O. M., dus door een Staatsorgaan, om zoo te zeggen kunstmatig in het leven geroepen, niet om eigenrichting door den Staat tegen te gaan, doch opdat geen straf worde opgelegd zonder waarborgen 3).

1) Daargelaten n.1. de beslissing op de vordering der beleedigde parlij. Hieromtrent heeft het strafvonnis m. i. evenzeer gezag van gewijsde als ware het een uitspraak afkomstig van den burgerlijken rechter, al zijn de bepalingen van het B. W. niet daarvoor geschreven. Ten deze is toepasselijk hetgeen in no. 46 hiervóór is gezegd. Vgl. ook de tweede noot op no. 45.

2) Zoo ook H. Vos, Admin. Rechtspr. I (1901) p. 64 —65 (=: W. B. A. 2698).

3) Hiertegen doet niets af dat historisch in strafzaken de eigenrichting van partikulieren voorafging aan de bestraffing van Staatswege.

Sluiten