Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schriftelijk bescheid kracht van bewijs kan hebben in een ander strafgeding, terwijl art. 391 lid 2 Sv. verbiedt ze als vermoedens te doen gelden, en in strafzaken steeds tegenbewijs is toegelaten. De H. R. vraagt echter niet of een strafvonnis kan ingeroepen, niet als bewijsmiddel, doch als hebbende gezag van gewijsde '). Wel is dit hetzelfde volgens de vroegere opvattingen, ook nog aangenomen in het thans geldend B. W. 2), maar niet naar de tegenwoordige zienswijs omtrent het gezag van gewijsde, ook gehuldigd in het nu aanhangig Ontw. wijziging boek IY B. W. Bij deze laatstbedoelde beschouwing is de motiveering der zooeven geciteerde arresten van den H. R. niet afdoende, — ook niet het beroep op de toelaatbaarheid van tegenbewijs, door art. 394 Sv. immers enkel tegen „bewijsmiddelen" toegestaan. En het is de vraag of art. 391 lid 1 Sv. rechtens ruimte laat voor een overtuiging, die een vonnis, waaraan gezag van gewijsde toekomt in het strafproces, niet als uitgangspunt aanvaardt; vgl. ook no. 62 hierna. — Tegen het beroep van den H. R. op art. 391 lid 2 Sv. zie H. de Ranitz in T. v. S. 6 p. 61—75, die blijkens p. 69 — 70 en p. 72 v. o. 1.1. het strafvonnis wèl als bewijsmiddel in een later strafproces wil doen gelden, doch niet als hebbende gezag van gewijsde. — Ygl. art. 406 Sv., waarnaar niet d<? overweging van den vroegeren rechter over het geleverde bewijs, diens bewezenverklaring, — maar wèl het door het vonnis als authentieke akte geconstateerde bewijsmateriaal van het eerste proces, in het tweede als aanwijzing schijnt te mogen gebezigd.

«O. hh. De uiteenzetting hiervóór in no. 58 a. h. e. heeft alléén betrekking op de elementen van het delikt, niet op de praealabele vraag aangaande 's rechters competentie. Daarover wordt een zelfstandige beslissing gegeven, die een publiekrechtelijke verhouding vaststelt; vgl. Alg. Begins. VI nos. 6-7 jo. no. 11. — Ook over de processueele rechtsverhouding tusschen

!) Tegen bevestigende beantwoording dier vraag zie hiervóór nos. 57 en 58.

2) Als van zuiver dogmatischen aard is de hier bedoelde kwalifikatie in het B. W. m. i. «unverbindlicher Gesetzesinhalt».

Sluiten