Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. M. en beklaagde wordt met gezag van gewijsde beslist, doch alleen voor deze procespartijen. Zie voor een bepaald geval H. R. 28 Febr. 1860 W. 2148 p. 1 kol. 1—2, R.spr. 64 § 25, v. d. Hon. G. Z. 17 p. 52. — Hetzelfde schijnt te mogen worden aangenomen betreffende de beslissing over het recht tot strafvervolging van het O. M. ter zake van het ten laste gelegde feit tegen den beklaagde J), welke beslissing, in bevestigenden zin gegeven, echter niet het ten laste gelegde feit zelf, of welke elementen van het delikt ook, vaststelt. Ook hier bestaat de ratio van het gezag van gewijsde: rechtszekerheid voor de partijen van het strafproces z). — Art. 68 Swb. kan dan als een uitvloeisel mede van dit beginsel worden opgevat, dat niet belet hetzelfde aan te nemen voor beslissingen over de ontvankelijkheid van het O. M. Ygl. hierbij D. Simons, Leerb. v. h. Ned. Strafr. I (1904) p. 228 nt. 1; T. J. Noyon, Het Wetb. v. Strafr., 2e ed. I (1904) p. 356 no. 1 op art. 68; v. Hamel (geciteerd hiervóór, p. 304 noot) p. 605 sub 3 i. f., en de t. a. p. mede geciteerde diss. van v. d. Rivière, p. 72—74. Zie ook Hof Gron. 22 Nov. 1844 R.spr. 20 § 89, bindend gezag in het strafproces toekennend aan de beslissing over de ontvankelijkheid van het O. M.

«f. ii. Welke behoefte zou er ook bestaan aan gezag van gewijsde voor het strafvonnis, buiten de grenzen, in het vorig no. 60 aangegeven? Behoudens revisie blijft toch de strafoplegging gehandhaafd van het veroordeelend vonnis, die niet van haar kracht kan worden beroofd, al werd ook later onjuistheid

!) Het is dit gezag van gewijsde, dat in de leerboeken over het strafrecht en strafprocesrecht wordt behandeld, en hierop alléén heeft ook de historische ontwikkeling van het ne bis in idem in strafzaken betrekking. Op deze ontwikkeling mag dan ook m. i. geen beroep worden gedaan voor de Fransche leer, hiervóór in no. 56 aangeduid.

2) De kwestie in hoever de beslissingen in cassatie, ook in strafzaken, gezag van gewijsde hebben ten opzichte van de daarbij behandelde rechtsvraag, behoort speciaal t'huis in de leer der cassatie. — Vgl. O. Mayer, geciteerd p. 15 v. o. hiervóór.

Sluiten