Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de z.g. subjektieve publieke rechten, van de partij rol in publiekrechtelijke geschillen, en van de persoonlijkheid der korporaties, in het bizonder den Staat, alsmede van de positie der organen*) dier korporaties, dus ook van den Staat, tegenover dezen zelf en tegenover de individueele leden. Vgl. hieromtrent o. a. J. A. Loeff, Publiek recht tegenover privaat recht, diss. Leiden 1887, passim, speciaal p. 82—84; h. Vos, Administratieve Rechtspraak I (1901) p. 50—54 (W. B. A. 2696); O. Mayer, Deutsches Verwalt.recht I p. 183—187; Affolter in Archiv für öffentliches Recht 20 p. 374—414, speciaal p. 374—389, 398,

401 407, 410—414; E. Hölder in hetzelfde tijdschrift 21

p. 317—320, 324-326, 329, 331 v. b., en in Jahrb. für Dogm. 53 (1908) p. 60 jis. 63—66. — Naar deze netelige vraagstukken kan hier slechts worden verwezen. Zij hangen samen (vgl. Affolter 1.1. p. 381—382) met de geheele „Genossenschaftstheorie" en „Vertretungstheorie", waarin het laatste woord nog wel niet zal zijn gesproken.

In de uiteenzettingen, deels van Affolter, deels van Hölder (welke schrijvers overigens van onderling verschillende beginselen uitgaan) 2), is er m. i. - althans tot op zekere hoogte — veel waars. En inzoover leiden zij, naar het mij voorkomt, beide tot de opvatting dat daar, waar enkel de wettigheid eener administratieve handeling of weigering onderwerp is van rechterlijke beslissing, — materieel niet de Staat, doch diens orgaan moet aangemerkt als de eigenlijke partij. Insgelijks, waar het O. M. de strafzaak vervolgt (vgl. daaromtrent intusschen O. Mayer 1.1. p. 184 en in nt. 10 op p. 183). — Uit de mogelijkheid dat, waar in twee gedingen verschillende Staatsorganen formeel als partij

1) Waar deze term in dit werk wordt gebezigd, geschiedt dit niet om partij te kiezen voor de z.g. organische Staatsleer; vgl. de juiste opmerkingen van C. C. van Bosse, Schadevergoeding voor onrechtmatige overheidsdaad, diss. Leiden 1907 p. 85.

2) Die van Hölder knoopt aan bij zijn boek, Nafürliche und juristische Personen (1905), aangekondigd door E. M. Meyers in R. Mag. 26 p. 162—168, en door O. Mayer in Archiv für öffentliches Recht 20 p. 590—594.

Sluiten