Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fungeeren, — zij, zonder voor zelfstandige eigen belangen op te komen, tegenover elkaar optreden (vgl. § 20 no. 1 der Mem. v. Toel. op het Ontw. 1905 Wetb. v. Adm. Rv. en daarbij H. Reuyl in R. Mag. 25, speciaal p. 255), — volgt dat zij althans in dat geval kwalijk als materieel dezelfde partij vertegenwoordigd kunnen gelden.

Echter moet toch niet uit het oog worden verloren dat de verschillende organen eener korporatie voor éénzelfde gemeenschap optreden, zoodat er een band is die hen vereenigt (vgl. hierbij ook Hölder in de Jahrbücher 1.1. p. 66 v. b.). — Naar het mij voor 's hands toeschijnt, volgt daaruit ten aanzien der hier aangeroerde kwestie dat, waar bedoeld optreden der organen niet onderling kwalitatief zóó verschilt als dat van den rechter of wetgever eenerzijds van dat der administratieve (uitvoerende) organen aan den anderen kant (vgl. Affolter en Hölder 1.1.), — het ééne orgaan een vonnis gewezen voor het andere, niet kan behandelen als gold het een partikulier derde. — Zulk kwalitatief verschil als zooeven bedoeld, zal wel niet kunnen worden aangenomen, waar beide organen optreden als procespartij; m. i. ook niet voor het O. M., wiens partijrol in de strafzaak wel een bizonder karakter draagt, — maar dat toch, al maakt het deel uit der rechterlijke macht, evenmin rechtspreekt als wetgever is, doch materieel mede behoort tot de uitvoerende organen.

Zou het ééne gemeenschapsorgaan, al wordt het niet getroffen door het gezag van gewijsde eener uitspraak, die voor het andere is gewezen, — daaraan toch niet op dezelfde wijs zijn gebonden als ook de rechter in die gevallen, waarin zijn gebondenheid moet worden aangenomen (zie hiervóór p. 279—280) dit is? — Vgl. hierbij ook O. Mayer 1.1. p. 196—197.

Verder worde, in aansluiting aan het voorgaande, te dezer plaatse nog de aandacht er op gevestigd dat het hier de vraag niet is, wie formeel als partijen zijn opgetreden, maar wie materieel als zoodanig moeten beschouwd: voor wie en over wier rechtsverhouding de uitspraak is gewezen, wie het vonnis daarom bindt (vgl. O. Mayer 1.1. p. 183 v. o., echter samenhangend met diens bizondere opvatting over het gezag van

Sluiten