Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of toewijzing van een gevarencijfer 1), ook het O. M. aan deze beslissing gebonden, en dus eveneens de strafrechter, voorzoover art. 391 lid 1 Sv. niet hiertegen mocht pleiten (zie boven sub aa).

Meent men dan dat dit laatste niet het geval is, dan zou het hierboven geciteerde Reg.-antwoord overweging verdienen de iure constituendo. Daarbij zou dan niet slechts voor de ongevallenzaken, maar in het algemeen, de kwestie deze worden, — wat primeeren moet, het maatschappelijk belang, betrokken bij de eerbiediging van het gezag van gewijsde, of het beginsel, dat aan art. 391 Sv. ten grondslag ligt. Ygl. intusschen ook het hiervóór in de noot op p. 318 opgemerkte betreffende de gebruikelijke motiveering van vrijsprekende strafvonnissen. Èn wegens het daar gezegde, èn omdat de onzekerheid waarvan een geschil toch meestal het uitvloeisel is, in den regel zal meebrengen dat ook bij volstrekte gebondenheid van den strafrechter aan de uitspraak van zijn administratieven collega, toch niet te bewijzen zal zijn de door de strafwet vereischte schuld van beklaagde (daar hier enkel in aanmerking komt een daad vóór de administratieve uitspraak begaan, zie hieronder), — is het waarschijnlijk dat een bepaling, die absoluut bindend gezag van laatstbedoelde uitspraak in het strafproces voorschrijft, weinig uitwerking zou hebben. — Daarentegen zou wèl van nut kunnen zijn een voorschrift, dat zulk gezag dan boven twijfel stelde, als de uitspraak van den administratieven rechter in het voordeel van beklaagde uitviel. In dit laatste geval zal een veroordeeling door den strafrechter toch wel ongewenscht mogen worden geacht.

Aanvaardt men geen gebondenheid van den strafrechter in

!) Vgl. het tweede voorbeeld in het bovengenoemde Verslag. — Het derde voorbeeld betrof een geval (de vraag naar de toepasselijkheid van art. 28 lid '1 of lid 2 der Ongevallenwet), waaromtrent de Raad van beroep nooit bindend beslist, en komt daarom niet in aanmerking.

Ten opzichte van de hier in den tekst laatstelijk genoemde beslissingen geldt iets dergelijks als hiervóór p. 218 v. o.—219 v. b. is gezegd naar aanleiding van art. 70 Armenwet.

Sluiten