Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H. R. 21 Maart 1892; zie ook Hof Geld. 27 Febr. 1849), — of dien van een medebeklaagde (Hof Amst. voormeld), - noch ook als het geldt een aanslag over hetzelfde jaar (zóó èn gemeld vonnis Rb. Amst. èn H. R. 18 Sept. 1855). — Zie voor al de genoemde beslissingen no. 40 biervóór. Vgl. ook de daar vermelde litteratuur. (Rochussen, aldaar geciteerd, neemt op p. 105 aan dat de strafrechter niet gebonden is; zie mede het op p. 317 hiervóór aangehaalde arrest Hof 's Hertog, van 3 April 1901). — Anders dan de boven geciteerde jurisprudentie, onder de tegenwoordige wet op de Personeele belasting van 1896 Stbl. 72, Rb. Rott. 2 Maart 1899 W. 7291, overwegend als volgt: Waar een Raad van beroep besliste dat zekere aangifte juist was, blijkt uit die beslissing dat, bij ongewijzigde omstandigheden, ook voor het volgend jaar door den strafrechter moet aangenomen dat niet meer belasting was verschuldigd dan uit de aangifte kon worden opgemaakt 1). — De Rechtbank achtte zich hier gebonden aan de beslissing van den Raad van beroep; doch daaruit volgt nog niet dat zij gelijke gebondenheid zou hebben aangenomen ten nadeele van beklaagde 2). — Vgl. hierbij v. Nieüwkuyk in W. 8361 p. 4, die met dit vonnis van 1899 op één lijn plaatst een ander van Rb. Zwolle van 5 Mei 1904, t. a. p. door hem vermeld als belastingplicht aannemend op grond eener verklaring van zetters dat ambtshalve een aanslag was opgelegd, en dat daartegen niet was gereklameerd. Zulk een verklaring is echter geen daad van rechtspraak, en de

1) Vgl. hierbij Roëll en Oppenheim in R. Mag. 18 (1899) p. '289 v. b, wenschelijk achtend gezag van gewijsde der uitspraak op een belastingreklame tegenover denzelfden persoon ook voor een volgend jaar, bij onveranderd gebleven omstandigheden. Met hun art. 19 (1.1. p. 257—258) zou dit doel echter niet bereikt worden. Het is hier wel een gelijksoortige, maar niet dezelfde zaak. — Het Ontw. 1905 Wetb. v. Adm. Rv. heeft, terecht m. i., niet voorgesteld hetgeen R. en O. wilden. — Vgl. hierbij ook Lemayer in Grünhut's Zeitschr. für das Priv. u. öffentl. Recht der Gegenwart 22 (1895) p. 485 nt. 101.

2) Bij de andere in dit no. 63 vermelde beslissingen gold het eveneens een administratiefrechterlijke uitspraak ten voordeele van beklaagde.

Sluiten