Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanslag evenmin. Al nam de Rechtbank hier de verklaring aan als aanwijzing dat de belasting verschuldigd was, dat wil nog niet zeggen dat zij zich er aan gebonden achtte. Overigens schijnt mij de meening van v. Nieuwkuyk 1.1. dat art. 154 Grw. hier tot wijziging in de jurisprudentie aanleiding zou hebben gegeven, van goeden grond ontbloot.

Al is men van oordeel dat de beslissingen van denadministratieven rechter in belastinggeschillen niet iedereen binden, doch slechts gegeven worden voor de daarbij betrokken partijen (vgl. no. 47 hiervóór), dan rijst toch de vraag of, waar de beklaagde in het strafproces eveneens partij was in het geding voor den administratieven rechter, — niet moet gezegd dat partijen dezelfde waren, ook dan als de strafzaak wordt vervolgd niet door de administratie, maar door het O. M.; dit bij de opvatting dat deze toch eigenlijk beide den Staat vertegenwoordigen. Ten opzichte der belasting-administratie zou kunnen aangevoerd dat hier het onderwerp der administratiefrechterlijke beslissing niet enkel is de wettigheid harer handelingen, maar tevens de belastingschuld, en dat deze, waar ze moet aangenomen, er is tegenover den Staat. Neemt men nu mede voor het O. M. aan dat het den Staat als partij representeert, en antwoordt men dus op de zooeven gestelde vraag bevestigend, — dan moet m. i. ook gebondenheid van den strafrechter aangenomen, voorzoover art. 391 Sv. hiertegen niet in den weg staat. En eveneens, als men meent dat wel is waar partijen niet dezelfde zijn, maar toch het O. M. gebonden is aan het vonnis, dat de administratie treft, op de gronden p. 320 hierboven aangeduid; zie ook p. 322. (Ygl. mede hiervóór p. 267—268). — Anders intusschen in elk geval is het, mocht het administratief geding geen Rijksbelasting betreffen, zoodat niet de Staat, maar een andere publiekrechtelijke korporatie hierin partij was. Dan is het O. M., en dus ook de strafrechter, niet gebonden aan de administratiefrechterlijke uitspraak in de belastingzaak. Ontkend kan dan niet worden dat ingevolge die uitspraak beklaagde belastingschuldig is of het niet is, naarmate hieromtrent is beslist,

Sluiten