Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch wèl dat dit reeds zoo was vóór de bedoelde uitspraak; vgl. p. 278—280 en 281 nt. 1 hiervóór.

Ook daar echter, waar de Rijksadministratie optrad voor den administratieven rechter, kan men de opvatting zijn toegedaan, dat zij niet als partij mag geïdentificeerd met het O. M.,—hetzij omdat men meent dat de Staat niet als de eigenlijke partij in de twee gedingen mag beschouwd, doch dat enkel zijn organen als zoodanig optreden, hetzij op grond, dat het O. M. den Staat vertegenwoordigt in een andere rol dan de administratie. De laatste behartigt het fiskale belang, het O. M. treedt op voor dezelfde belangen als in elke strafzaak. (Ygl. echter hiervóór p. 320. Van dit standpunt zou er, — aanvaardt men niet de stelling dat het ééne staatsorgaan, en dan ook het O. M., gebonden is aan een vonnis, gewezen voor bet andere —, ook als in de strafzaak naast de administratie het O. M. vervolgt (vgl. art. 247 Alg. wet van 26 Aug. 1822 Stbl. 38, en de Pinto, Handl. Wetb. v. Sv. 2e ed. 1882, II p. 406—408), geen gebondenheid van O. M. en strafrechter moeten worden aangenomen, omdat partijen in de twee gedingen dan niet dezelfde zijna). — In de gevallen, beslist bij de in dit no. 63 vermelde jurisprudentie (uitgezonderd dat van Hof 's Hertog. 3 April 1901, waarbij alléén het O. M. vervolgde, daar het de Waardewet gold) trad het O. M. niet als hoofdpartij op. Art. 247 der Alg. wet was in geen dier gevallen van toepassing.

1) Het komt mij voor dat in de hier bedoelde materie geen beroep mag gedaan op de jurisprudentie betreffende b.v. art. 251 Sv. (vgl. T. v. S. 17 p. 67—81) of art. 96 R. O.; zie aldaar de arresten over de kwestie welke ambtenaar van het O. M. als partij in den zin van dit art. moet beschouwd, uit welke arresten blijkt dat niet het O. M., dus veelmin de Staat, als die partij door den H. R. wordt aangenomen. De vraag echter, wie als partij gebonden wordt door een vonnis, valt niet geheel samen met die, door en jegens wie als partij tegen het vonnis kan worden opgekomen, vooral niet waar verschillende ambtenaren eenerzelfde gemeenschap hiervoor in aanmerking komen. — Vgl. ook voor burgerlijke zaken art. 332 Hv. j°. art. 1957 B. W., en H. R. 30 Nov. 1906 W. 8466, R.spr. 204 § 26, P. v. J. 613. — Zie mede het op p. 321 v. o. over art. 52 lid 1 der Beroepswet 1902 gezegde.

Sluiten