Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat het burgerlijk vonnis den strafrechter niet als hebbende gezag van gewijsde bindt, is beslist (contra O. M.) door H. R. 22 Okt. 1877 W. 4174 p. 1 kol. 1, R.spr. 117 § 9, v. d. Eon. Sr. 1877 p. 197, op overweging dat het tegendeel noch uit art. 436 (nu 400) Sv., noch uit eenige andere wetsbepaling volgt. — Evenals in de hiervóór sub no. 59 geciteerde arresten legt de H. R. hier bizonderen nadruk op art. 436 oud Sv., dus kennelijk het gezag van gewijsde als bewijsmiddel beschouwend; daaromtrent zie het in no. 59 opgemerkte i). — Gelijk dit arrest van 1877 ook R. Adv. 10 p. 176—181, en A. A. de Pinto, Hand. Jur.

!) Bij het gemelde arrest van 1877 werd uit de hierboven in den tekst aangegeven beslissing afgeleid, dat na een vonnis van faillietverklaring (toen naar het W. v. K.) de strafrechter toch nog had te onderzoeken of beklaagde koopman was. Dit zou intusschen ook dan het geval zijn geweest, als in het algemeen een burgerlijk vonnis wèl bindend gezag had voor het strafproces, doch dit gezag zich niet uitstrekt tot louter praejudicieele beslissingen, terwijl het buitendien althans kwestieus is of een vonnis van faillietverklaring wel is een daad van eigenlijke rechtspraak met gezag van gewijsde; vgl. Garsonnet (geciteerd hiervóór in no. 52) III § 1128, het slot van nt. 1 op p. 548. — Onder de tegenwoordige faillissementswet is het zijn van koopman geen vereischte meer voor de faillietverklaring, waarvan dus niet meer kan beweerd dat zij noodzakelijk de hoedanigheid van koopman onderstelt, zoodat de kwestie zelf, bij het arrest van 1877 gerezen, haar belang heeft verloren. — Vgl. ook concl. O. M. vóór H. R. 10 April 1905 W. 8207 p. 2 kol. 1, R.spr. 199 § 71, P. v. J. 436, en Hoi fman (geciteerd p. 249 hiervóór) II nos. 314—323, p. 117— 143. H. komt daar op tegen de jurisprudentie, die bankbreuk aannam zonder voorafgaande faillietverklaring, wat bij ons thans ook artt. 340 vlgg. Swb. geheel uitsluiten. Maar blijkens zijn no. 321, p. 141—142, acht hij den strafrechter niet gebonden aan de voorafgaande verklaring dat iemand failliet is. Dit gaat bij ons niet op, daar het vonnis dat iemand failliet verklaart, constitutief is voor het faillissement, en de faillietverklaring zelf element is van de misdrijven, in artt. 340 vlgg. Swb. omschreven.

Bij het genoemde arrest van 1877 vgl. ook H. R. 15 Dec. 1890 W. 5974, R.spr. 156 § 43, v. d. Hon. Sr. 1890 p, 322, P. v. J. 1891 no. 35, met gelijke beslissing als in 1877, doch ditmaal niet gemotiveerd met het ontbreken van bindend gezag voor het civiele vonnis in de strafzaak. — Vgl. mede II. R. 3 Maart 1873 W. 3579, R.spr. 103 § 25, v. n. Hon. Sr. 1873 p. 82, R. B. 1873 p. 443 (contra O. M).

Léon : Uechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1 21*

(Mr. L. van Pbaag, Hecht. Org.)

Sluiten