Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vereen. 1879 lp. 66; in nt. a op p. 35 van A. de Pinto's Handl. Wetb. v. Sv. 2e ed. (1882) 11, en Herzien AVetb. v. Sv. (1886) I p 140 en p. 481—484, speciaal ook voor het geval dat art. 6 Sv. is toegepast, over welk geval vgl. het hier volgend no. 65.

Bindend gezag van het burgerlijk vonnis in de strafzaak wordt ook ontkend door Diephuis N. B. R. 3 (1874) p. 271, en door Kuhn (geciteerd nt. 1 op p. 281 hiervóór) p. 16 nt. 4.

Dat in den regel het burgerlijk vonnis den strafrechter niet bindt, is ook de leer van Merlin, Répertoire, éd. Brux. 4(1825) i. v. Chose jugée § 15 p. 304 kol. 2 — p. 305 kol. 2, en van Hoffman (geciteerd hiervóór p. 249) I nos. 131 -132, p. 194 197, en no. 150, p. 234, — met wien zich op dit punt vereenigt A. E. J. Modderman in Therais 1867 p. 95, in zijn aankondiging van Hoffman's werk. — Hoffman zet 1.1. no. 149, p. 230—231, terecht uiteen dat art. 1351 C. C. (art. 1954 B. W.) buiten de kwestie staat, hetgeen over het hoofd is gezien door Diephuis, hierboven geciteerd. — In denzelfden zin als de zooeven aangehaalde schrijvers, Lacoste (geciteerd hiervóór in no. 54) no. 1302, p. 437; vgl. ook nos. 1319- 1320, p. 440—441. Zij allen nemen echter een uitzondering aan voor het civiele vonnis, gewezen na schorsing der strafzaak; zie het volgend no. 65.

Glaser (geciteerd p. 311 hiervóór) II p. 89—92, wijst er op dat eerst de vraag moet gesteld, wat naar het materieele strafrecht element van het delikt is, een civielrechtelijke verhouding of een andere, daarop gelijkend (b.v. de natuurlijke verwantschap tegenover den burgerlijken staat), — en dat slechts dan, als dit een civielrechtelijke verhouding is, de vraag naar de gebondenheid van den strafrechter aan het civiele vonnis te pas komt. — Zoo ook v. Kries (hieronder geciteerd) p. 558—559. Vgl. mede Hoffman 1.1. II no. 514 p. 525. Glaser, 1.1. p. midd., erkent schijnbaar bindend gezag van het civiele vonnis in het strafproces, maar hiermee is m. i. niet geheel in overeenstemming hetgeen t. a. p. verder volgt. Hij onderscheidt (1.1. p. 92—93) naarmate het civiele vonnis is gewezen vóór of na de ten laste gelegde daad. In het eerste geval kan, meent

Sluiten