Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het civiele vonnis afleiden dat de zaak aan A toebehoorde. Maar, daar clit, wat ook de formuleering van het burgerlijk vonnis hieromtrent zegge, niet de ware inhoud van de civiele uitspraak is (zie het hierboven over haar relatieven aard opgemerkte), — kan de strafrechter ook aannemen dat een ander (mits niet B) na het meergemelde vonnis eigenaar is, b.v. waar A zelf als beklaagde terecht staat. Intusschen het bij de strafwet vereischte oogmerk van beklaagde A zal dan wel niet licht bewijsbaar zijn. — In het algemeen spreekt het overigens vanzelf dat de beslissing over het al dan niet toebehooren eener zaak aan beklaagde, nog niet tevens insluit een beslissing over het wederrechtelijke der toeëigening, laat staan over het hierop gerichte opzet of oogmerk van beklaagde.

Bij het bovenstaande vgl. Lacoste (geciteerd p. 304 hiervóór) no. 1320, p. 441, — die meent dat in het hier behandelde geval de strafrechter wien ook, zelfs B, als eigenaar kan aanmerken.

Ingeval B's eigendomsvordering tegen A wegens gemis aan eigendomsrecht is ontzegd, is de beslissing wèl dat B tegenover A niet geldt als eigenaar, maar dit belet hem niet als zoodanig tegenover anderen op te treden. Deze beslissing brengt dan'ook niet mee dat de strafrechter zou moeten aannemen dat de zaak na het civiele vonnis niet aan B kan toebehooren. Een dergelijke gevolgtrekking toch uit het absolute karakter van het eigendomsrecht moet afstuiten op den relatieven aard van het burgerlijk vonnis, terwijl in dit geval niet is beslist dat B een ander als eigenaar heeft te erkennen.

Tegen het aannemen van bindend gezag voor het burgerlijk vonnis in het strafproces vgl. ookScHANZE (geciteerd p. 311—312 hiervóór) p. 469, zoowel op grond dat partijen niet dezelfde zijn, als wegens de lijdelijkheid van den burgerlijken rechter *). Dit laatste argument is er m. i. meer een de iure constituendo (daargelaten welke kracht men het daar moet toekennen) dan

!) In gelijken geest voor het gezag van het burgerlijk vonnis in de administratieve rechtspraak Bernatzik, Rechtsprechung... p. 241—246.

Sluiten