Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de iure constituto. Waar het burgerlijk vonnis gezag van gewijsde heeft voor iedereen, bindt het m. i. ook in het strafgeding (vgl. p. 282 hiervóór; zie ook Merlin — in het volgend no. 65 geciteerd — p. 300 kol. 1), ondanks de lijdelijkheid van den burgerlijken rechter, welke naar ons recht ook dan in het algemeen niet is uitgesloten, hoewel zij zeker niet wenschelijk is waar het vonnis gezag voor iedereen zal hebben; vgl. GauppStein, Die C. P. O. für das deutsche Reich, 6e—7e ed. (1904) I p. 336 (sub II, 2) p. 747; II p. 246 (sub I).

Ook waar de burgerlijke rechter niet lijdelijk is, — zooals waar hij administratieve rechtspraak uitoefent, en het Wetb. v. B. Rv. niet toch toepasselijk is, — bindt zijn vonnis den strafrechter niet, als het geen gezag van gewijsde heeft voor iedereen.

©5. bb. In het geval dat de strafzaak geschorst is tot na uitspraak van den civielen rechter, wordt bindend gezag van diens vonnis voor den strafrechter aangenomen door Merlin, Répertoire, éd. Brux. 21 (1827) i. v. Non bis in idem § 15 p. 299 kol. 2; door Lacoste (hiervóór p. 304 geciteerd) nos. 1306—1308, p. 439, — en door Hoffman (geciteerd p. 249 hiervóór) I no. 135, p. 199—200, n.1. ingeval het praejudicieele geschilpunt niet behoort tot de competentie van den strafrechter (1.1. no. 136, p. 200—201) 1), waarbij zich aansluit Modderman, op p. 330 hiervóór geciteerd. — Hoffman, 1.1. II nos. 419—420, p. 321—324, jo. no. 384, p. 263-265, zegt dat de strafrechter van het na de schorsing ten voordeele van beklaagde gewezen vonnis niet mag afwijken, maar, strekt het

i) In verschillende der door Hoffman genoemde voorbeelden geldt het een in 't civiele, respektievelijk administratieve, geding louter praejudicieele kwestie, waarvoor m. i. daarom het vonnis geen bindende beslissing bevat; zoo no. 4 op p. 196—197 en p. 201 1.1. — Bij de voorbeelden betreffende valschheid in geschrifte rijst de vraag of hier het burgerlijk vonnis slechts tusschen partijen werkt, dan wel bij ons ingevolge art. 194 Rv. gezag van gewijsde tegenover iedereen moet aangenomen. — De argumentatie van Hoffman is m. i. hier (vgl. 1.1. p. 201 v. o.), gelijk zoo vaak in zijn werk, van zeer twijfelachtig gehalte.

Sluiten