Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te doen gelden als bewijsmiddel of als te zijnen aanzien hebbend gezag van gewijsde1). Van genoemd gezag werd overigens in deze procedure niet gesproken, wèl van de bewijskracht van het burgerlijk vonnis, wat een gevolg kan zijn van de opvatting dat het gezag van gewijsde tot de bewijsmiddelen behoort. Intusschen was er hier geen sprake van gebondenheid van den strafrechter, doch enkel van de vraag, of deze het civiele vonnis mocht bezigen om de burgerlijke rechtsbetrekking, die element was van het jachtdelikt, daarop te doen steunen. Hierbij is ook te bedenken hetgeen op p. 328 nt. 2 is opgemerkt over de strekking der bepalingen van het Wetb. v. Sv. omtrent het bewijs.

Bij het voorafgaande vgl. ook H. R. 28 Nov. 1848 W. 1005, R.spr. 32 § 19, v. d. Hon. Sr. 1848 II p. 383, mede het gebruik van een civiel vonnis in de strafzaak implicite goedkeurend.

ftO. cc. Dat een burgerlijk vonnis den strafrechter bindt ten opzichte der civiele vordering van de beleedigde partij, wordt — m. i. terecht — opgemerkt door Lacoste (geciteerd p. 304 hiervóór), nt. 1 ad no. 1303, p. 437—438. Hier zijn partijen dezelfde als in het burgerlijk geding, en kan dus geen van hen in de bewering dat het vonnis onjuist is, worden gehoord. Het gezag, dat dit vonnis heeft voor de gezamenlijke in de civiele vordering voor hem procedeerende partijen, is ook door den strafrechter te eerbiedigen. Ygl. hiervóór p. 279—280, 282—283 en 292.

6g. Gebonden}ieid van den administratieven aan beslissingen van den civielen rechter.

Hieromtrent vgl. Bernatzik, geciteerd hiervóór p. 333 nt. 1.

Voor zoover in het administratief geschil een partij optreedt, die niet getroffen wordt door het gezag van gewijsde van het

!) Vgl. hierbij Tissier, Théorie et pratique de la tierce opposition, no. 100 p. 170 en nos. 108—109, p. 179—180 jls. nos. 110-111, p. 181—189. Bij nos. 108—109 t. a. p. moet worden opgemerkt dat Tissier geen argument geeft voor zijn onderscheiding naarmate het een zakelijk of persoonlijk recht geldt. Vgl. hieromtrent ook Mendelssoiin—Bartholdy, Grenzen der Rechtskraft p. 133 nt. 2; zie echter mede diens p. 453.

22

Sluiten