Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door hooger administratief gezag 1). — Ygl. ook no. 87 hierna.

94. b. De rechterlijke macht heeft, waar een exceptie van non-qualificatie is opgeworpen, de rechtmatigheid der aanstelling van een polderbestuur niet te beoordeelen, als dit bestuur dooide bevoegde macht (Prov. Staten) tot procedeeren is gemachtigd, en dus als polderbestuur erkend. — Zoo H. R. 17 of 18 Febr. 1848, geciteerd hiervóór p. 210 v. o.

In anderen geest Rb. Roermond 22 Mei 1902 W. 7814 (contra O. M.): de machtiging van Ged. Staten aan een gemeente-afdeeling tot procedeeren brengt niet mee dat het wettig bestaan dier afdeeling door den rechter moet worden aangenomen. — Daarentegen besliste Rb. 's Hertog. 19 Mei 1858 W. 1972, G. st. 357, dat de rechterlijke macht moet eerbiedigen een besluit van Ged. Staten, houdende erkenning eener gemeente-afdeeling als zoodanig, op grond dat anders de werking van art. 217 lid 2 en 3 Gem.wet zou worden verijdeld. — Deze motiveering schijnt over het hoofd te zien dat bedoelde bepalingen niet voornamelijk de wettigheid, doch vooral de doelmatigheid der oprichting van een gemeente-afdeeling mede willen laten beoordeelen door Ged. Staten. Overigens gold het in casu een in oude tijden ontstane afdeeling.

9 5. c. De strafrechter die, staande voor de vraag of de openbaarheid van zeker voetpad was opgeheven, de betwiste wettigheid van het Raadsbesluit tot opheffing niet onderzocht, op grond der door hem te eerbiedigen goedkeuring van dit besluit door Ged. Staten, — miskent hierdoor niet art. 2 R. O.,

!) Voorzoover de hier vermelde beslissingen den rechter gebonden achten aan een administratieve erkenning, wordt daarbij (uitdrukkelijk of implicite) aangenomen dat, de wettigheid der bestuursdaad voor den rechter vaststond. In hoofdstuk XVI daarentegen geldt het de vraag, in hoever de rechter die wettigheid mag onderzoeken, waar ze niet reeds voor hem vaststaat; (vgl. ook aldaar no. 33 jis. nos. 34 en 40). Dit op enkele uitzonderingen na. Want de jurisprudentie houdt niet altijd de twee zooeven bedoelde gevallen uiteen, en wegens den samenhang tusschen de verschillende beslissingen zijn dan ook sommige in hoofdstuk XVI opgenomen, waarbij de rechter oordeelde dat de wettigheid der bestuursdaad voor hem reeds vaststond (zoo b.v. no. 29 sub 6).

Sluiten