Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te moeten worden beantwoord; vgl. nader sub Alg. Begins. XVII.

Bij dit no. 79 en het voorafgaande 110. 78 vgl. ook de concl. O. M. vóór H. R. 27 Mei 1907 W. 8558, R.spr. 206 §21, P. v. J. 671, van oordeel dat de goedkeuring eener polderkeur doorGed. Staten (artt. 7 en 9 wet 20 Juli 1895 Stbl. 139) insluit dat de keur formeel op wettige wijze is tot stand gekomen, en dus bindend is voor den rechter, — die de bedoelde vraag dan niet meer zou mogen onderzoeken en de toepassing der keui alleen dan zou kunnen weigeren, als hij door toepassing de wet zou schenden. Het O. M. meende dat deze opvatting het rechterlijk toetsingsrecht onverlet laat. Dit is intusschen enkel het geval wat betreft de toetsing van den materieelen inhoud der verordening, niet wat aangaat de wijze van haar wording met het oog op de wetsbepalingen hieromtrent bestaande. Het argument van het O. M. dat Ged. Staten de eerstgeroepenen zijn om goedkeuring te weigeren, als er een onwettigheid is begaan, zou evenzeer bij materieele onwettigheid kunnen aangevoerd, en buitendien overal, waar een verordening door hooger gezag is moeten worden goedgekeurd. Het bedoelde argument ziet ovei het hoofd dat, als dit hooger gezag eersfëeroepene is, dit met uitsluit dat de rechter later er óók toe geroepen wordt. — De H. R. week inzoover van de conclusie van het O. M. af dat hij wèl onderzocht of de keur formeel wettig tot stand was gekomen, en besliste hierop dat dit het geval was. — Evenzoo onderzocht H. R. 25 Sept. 1860 W. 2209 p. 2-3, R.spr. 65 §42, v. d. Hon. G. Z. 17 p. 172, de formeele wettigheid eener keur, waarvan hij de onwettigheid aannam op grond dat het polderbestuur niet wettig was samengesteld. Ook hier had het O. M. gemeend dat dit punt verbleef ter beoordeeling aan Ged. Staten, geroepen tot goed- of afkeuring der keur. — Met dit arrest vereenigt zich P. v. Heynsbergen Jr., De omvang der wetgevende bevoegdheid der waterschapsbesturen, diss. Amst. 1907 p. 93—94.

De argumentatie der hierboven geciteerde conclusies is, wat de hier behandelde kwestie betreft, analoog aan die, ten opzichte der materieele wettigheid eener polderkeur, gebezigd in de concl.

Sluiten