Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. M. vóór H. R. 8 Okt. 1862 R.spr. 71 § 50, v. d. Hon. G. Z. 19 p. 249, R. B. 1863 p. 275. — Dit arrest zelf (mede in W. 2427 p. 1 kol. 2—3) onderzocht de bedoelde wettigheid echter wèl. — Hiermee stemt op dit punt in, de concl. O. M. van 1862 bestrijdend, P. v. Heynsbergen Jr., 1.1. p. 88.

Dat goedkeuring van waterschapskeuren (en zoo ook van andere besluiten) door Ged. Staten of door de Kroon, niet insluit een bindende verklaring dat die keuren (of besluiten) wettig zijn, onderstelt ook blijkbaar C. J. II. Schepel, Waterschapswetgeving (1906) p. 165—166.

80. h. Door A. de Pinto is in Themis 1853 p. 11—12 de vraag opgeworpen of de rechter — vanzelf gebonden aan de koninklijke beslissing, die een verordening heeft vernietigd — niet óók heeft te eerbiedigen de uitspraak der Kroon, houdende weigering der vernietiging op overweging dat een beweerde onwettigheid der verordening niet is aan te nemen. Zulk een uitspraak der Kroon als hier bedoeld schijnt intusschen in de praktijk niet voor te komen (ook niet bij andere besluiten dan verordeningen), daar als de Kroon geen termen tot vernietiging vindt, er geen beslissing hieromtrent noodig wordt geoordeeld, waar enkel sprake is van het koninklijk vernietigingsrecht, en niet van administratieve rechtspraak der Kroon in een gerezen geschil J). — Ook bij uitspraken in geschillen zal het niet licht

!) Vgl. voor verordeningen van water- of veerischappen artt. 23—25 wet 10 Nov. 1900 Stbl. 176. — Vgl. ook over het verschil tusschen de uitspraak in een geschil en de gewone vernietiging G. v. l>. Meulen, Het koninklijk vernietigingsrecht, diss. Gron. 1898 p. 20—24. Zie mede aldaar p. 146—156 over het karakter van bedoeld vernietigingsrecht. Vgl. ook G. G. v. d. Hoeven, Beschouwingen over de uitvoering van de artt. 140 en 145 der Grw., diss. Leiden 1896 p. 34 ja. p. 26, p. 48 —49, 58 - 59. Zie verder de door v. d. Meulen t. a. p. geciteerden, waarbij nog zijn te voegen, — tegen de opvatting der vernietiging als rechtspraak', de Min. v. Binn. Z. (Kappeyne) in Bijl". Hand". 1879—1880 no. 25 (2) p. 1; G. st. 1627; H. Reuyl in R. Mag. 14 p. 536, en Bernatzik, Rechtsprechung und materielle Rechtskraft p. 77—80, 293—295,— en vóór bedoelde opvatting J. A. Levy, Admin. Rechtspraak p. 243—250, 255—256, 260, alsmede J. Oppenheiji, Ned. Gem.recht, 3e ed. (1906) I p. 123—

Sluiten