Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loopt uiteen, hoewel zij alle, implicite of uitdrukkelijk, uitgaan van het publiekrechtelijk karakter van den niet contractueel gevestigden onderhoudsplicht (daaromtrent zie nader op art. 2 R. O.).

Het arrest van 1906 ziet, hoewel het aan het slot spreekt van den ligger als bewijsmiddel (waarover vgl. no. 96 sub a en <1 hierna), in de aanwijzing van den onderhoudsplichtige bij den ligger, oplegging van onderhoudsplicht krachtens de in artt. 180, 137 (zie nu art. 186) en 140 Prov. wet aan Prov. Staten toegekende bevoegdheid om in het provinciaal belang die reglementen te maken, welke zij daarvoor noodig oordeelen, waardoor de beoordeeling van dit belang den rechter is onttrokken,—terwijl een bepaling in het prov. reglement dat het onderhoud blijft ten laste van hen, die er reecis vroeger toe verplicht waren, in dit arrest (cf. concl. O. M.) wordt opgevat als een richtsnoer voor Ged. Staten bij het vaststellen van den ligger, doch niet als rechtsgrond voor de geldigheid van den wettig opgelegden onderhoudsplicht. — M. a. w.: al mogen Ged. St. naar het reglement geen niet reeds bestaanden ') onderhoudsplicht opleggen, brengt niet-inachtneming van dit voorschrift geen nietigheid van rechtswege mede voor hun besluit om onderhoudsplicht op te leggen, dat toch verbindend blijft; zie Alg. Begins. XVI no. 26. Vgl. hierbij J. v. G. Vitringa in R. Mag. 25 (1906) p. 568 met de noot, jo. nt. 2 op p. 567, A. R. Abntzenius in Bijdr. St.-best. 20 p. 346 v. o., — en, hoewel speciaal de openbaarheid betreffend, H. Reuyl in R. Mag. 15 (1896) p. 605. — Het geciteerde arrest van 1906 achtte verder het vaststellen van den ligger een daad van uitvoering van het provinciaal reglement, die dus (art. 152 Prov. wet) niet onwettig is, waar ze is opgedragen aan Ged. St.; vgl. no. 97 sub a hierna.

In anderen zin dan dit arrest van 1906: H. R. 9 Febr. 1858,

1) Het opleggen van reeds bestaanden onderhoudsplicht is niet onmogelijk, n.1. als er een privaatrechtelijke verplichting aanwezig is, die dan wordt versterkt tot een publiekrechtelijken. Betwist is het of dit mag geschieden, speciaal als bij de civiele verplichting gerechtigd is dezelfde gemeenschap, wier orgaan de publiekrechtelijke wil opleggen; zie nader op art. 2 R.O. subB§4.

Sluiten