Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vermeld hierna in no. 98 sub a. overwegend dat de liggers zijn een bloot administratieve maatregel '), slechts strekkend om voor het beheer en toezicht der wegen aan te wijzen, wie voor onderhoudsplichtigen gehouden worden, doch dat zij niet de strekking hebben, noch kunnen hebben om rechten en verplichtingen te vestigen, terwijl het brengen op den ligger niet kan uitmaken het bestaan van zoodanige rechten als voor de toepasselijkheid van het reglement op den weg zouden worden gevorderd, alsmede dat aan Prov. of Ged. Staten niet is toegekend de bevoegdheid om aan te wijzen op welke grondeigendommen van partikulieren, een openbare instelling of het publiek recht heeft van gebruik als anderszins. — Wèl gold de beslissing bij laatstbedoeld arrest de openbaarheid van een weg, en in 1906 den onderhoudsplicht, maar ook op dezen nad de hier aangehaalde motiveering van 1858 betrekking. De twee geciteerde arresten hebben blijkbaar over de strekking der liggers een geheel verschillende opvatting. Het gemelde arrest van 1858 gold het reglement op de wegen in de provincie Utrecht van 1853, evenzeer bepalend dat de definitief vastgestelde liggers den grondslag uitmaken van ieders verplichting, als het Zeeuwsche reglement van 1886, waarover het arrest van 1906 is gewezen. — Gelijke bepaling kwam voor in het Drentsche reglement, waarop het boven sub b geciteerde arrest H. R. van 28 Dec. 1870 betrekking had, welk arrest mede op die bepaling steunde. — Vgl. no. 95 sub d hierna.

Het arrest van 12 Mei 1873 (en zoo ook andere) beroept zich op art. 720 B. W., welk artikel echter alleen van elders vaststaande bevoegdheid tot regeling van onderhoudsplicht op het oog heeft.

Tusschen regelen en constateeren van bestaanden onderhoudsplicht wordt onderscheiden b. v. in de twee arresten van 4 Mei 1858, die — gelijk verschillende andere — slechts overwegen

i) Zie in gelijken zin de jurisprudentie, vermeld in den aanhef van no. 99 hierna.

Sluiten