Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overige in het vorig no. 88 geciteerde jurisprudentie van den H. R. Immers het beslist dat de ligger wèl bindt ten opzichte van den onderhoudsplicht, doch onder voorwaarde dat hij betreft een werk, waarop het reglement toepasselijk is: slechts voor die werken bestaat de competentie van het admin. gezag tot het vaststellen der liggers. — In gelijken zin als gemeld arr. H. R. van 1903 besliste in een burgerlijke zaak Hof Friesland 13 April 1870 W. 3226 p. 5 kol. 2.

Bij de in het vorig no. 88 sub b vermelde arresten van 13 Febr. 1872 en van 12 Febr. 1862 had de H. R. aangenomen dat de rechter de beslissing moet eerbiedigen van het admin. gezag over de vraag of zeker water een waterleiding is. — Ygl. hierbij ook Roëll, geciteerd in het vorig no. 88 sub e.

»0 9- Bij het in no. 88 sub b hiervóór vermelde arr. H. R. van 23 Maart 1874 is (op het tweede cassatiemiddel) nog overwogen dat, waar het reglement bepaalt dat bij betwisting van den ligger Ged. Staten beslissen, zonder termijnen of vormen daarvoor aan te geven, — de ligger alléén, bij betwisting, den onderhoudsplicht niet bewijst, zoolang Ged. St. niet over het geschil hebben beslist. — Evenzoo Ktg. Gron. 30 Okt. 1893 W. 6443.

»1. h. Het in no. 88 sub b geciteerde arr. H. R. van 4 Mei 1858 W. 2097 besliste nog aldus: Daar Prov. Staten staatsrechtelijk bevoegd zijn tot de regeling van den onderhoudsplicht van wegen en waterlossingen, zijn zij ook bevoegd de vereischten van een behoorlijk onderhoud te bepalen Hieruit volgt dat hetgeen daaromtrent door het administratief gezag is vastgesteld, door den strafrechter als grondslag moet aangenomen voor de beantwoording der vraag of zekere stroom had de vereischte wijdte. Ygl. no. 30 hiervóór.

i. Bij K. B. 20 Dec. 1897 R v. St. 38 p. 14 (jo. 37 p. 993), G. st. 2438, W. B. A. 2558 is beslist dat Ged. Staten ten onrechte goedkeuring weigeren eener strafbepaling, bij polderkeur gesteld op het niet in goeden staat onderhouden van een werk door een onderhoudsplichtige, — waarbij zij als motief aanvoerden dat dan de beoordeeling van het noodige der herstelling, bij art. 13

Sluiten