Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1886 (respektievelijk dat van 1891) gemaakte reserve voor onderhoudsplicht, steunend op burgerlijke rechtsbetrekking, niet op een goeden grond te berusten. — Afgezien hiervan, is m. i. de onderscheiding tusschen al dan niet twijfelachtige burgerlijke rechtsbetrekking, een onderscheiding die, hoewel in de laatstbedoelde arresten niet uitdrukkelijk gemaakt, bij vergelijking ook met de eerstgemelde jurisprudentie, daaraan toch ten grondslag schijnt te liggen, — bedenkelijk, omdat eerst na rechterlijke uitspraak de burgerlijke rechtsverhouding kan geacht worden ontwijfelbaar vast te staan.

Ook art. 6 Sv. kan in het hier besproken geval, acht men den ligger bindend, niet toepasselijk zijn: al is er een geschilpunt van burgerlijk recht, de waardeering van het feit kan daarvan niet meer afhangen, zoo men moet aannemen dat de onderhoudsplicht reeds vaststaat ingevolge den ligger: dan is wèl deze onderhoudsplicht praejudicieel voor den strafrechter, doch niet meer de burgerlijke rechtsbetrekking, die zelf weer praejudicieel is voor den onderhoudsplicht.

Bij de in dit no. 92 vermelde arresten van 1886, 1891 en 1893 vgl. ook de cirkulaire van Ged. Staten Friesland d.d. 18 Mei 1893 Bijv. Stbl. 1893 p. 401, G. st. 2178. — Zie verder de Jonge in Bijdr. St.-Best. 17 p. 329—366, die misschien door den H. R. bij de hier bedoelde arresten is gevolgd (vgl. 1.1. p. 360—361, 365, 366). Over gemeld opstel van de Jonge zie op art. 2 R. O. sub D no. 10. — Ygl. mede G. st. 615.

®3. Buiten strafzaken is, in geschillen, die tot onderwerp hadden öf den niet-contractueelen onderhoudsplicht zelf öf de verplichting tot vergoeding van kosten door een bestuur in plaats van den beweerden onderhoudsplichtige aangewend, — gebondenheid aangenomen der rechterlijke macht aan de uitspraak door het administratief gezag op reklame tegen de liggers gegeven, door de volgende jurisprudentie: H. R. 5 Dec. 1884 W. 5139, R.spr. 138 § 28. v. d. Hon. B. R. 50 p. 189, W. B. A. 1873 (vgl. over dit arrest W. B. A. 1.1.) mèt de beslissingen a quo: Hof 'sGrav. 28 Jan. 1884 W. 5055, W. B. A. 1844 (vgl. over het arrest

Sluiten