Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9A. a. Bij de in de voorafgaande nos. 88—93 vermelde jurisprudentie is het volgende in het oog te houden:

In de eerste plaats hangt het van de verordening af, of element liarer overtreding is de onderhoudsplicht zelf dan wel het in den ligger neergelegde oordeel der administratie over die verplichting. Vgl. het hierna in no. 97 sub c geciteerde arr. H. R. van 17 April 1866 op het derde cassatiemiddel en de concl. O. M. vóór dit arrest. Vgl. ook Vitringa in R. Mag. 25 p. 568—569, en daarbij R. F. in W. 8448 p. 4 kol. 1 v. o., betreffende de openbaarheid van wegen, enz. Is element het oordeel van het administratief gezag, dan komt zulk een bepaling, ingeval van dwaling der administratie, neer op het opleggen van onderhoudsplicht door den ligger, en .is, aangenomen de geldigheid van dit opleggen (waaromtrent vgl. de verwijzing in het volgend no. 95 sub ƒ a. h. e.), voor den rechter alléén de ligger praejudicieel, en niet de onderhoudsplicht zelf; vgl. nos. 19 en 34 hiervóór, alsmede Alg. Begins. XVII. In dit geval kan art. 391 Sv. niet worden aangevoerd tegen de gebondenheid van den strafrechter aan den ligger.

In de tweede plaats: Waar voor den rechter praejudicieel is de onderhoudsplicht als zoodanig, en niet bloot het op den ligger vermeld staan als onderhoudsplichtige, rijst de vraag, wat naaide reglementen de strekking is van den ligger, en of die strekking staatsrechtelijk als geldig moet worden erkend. Dit laatste punt is ook van belang, als het reglement bedoelt dat enkel de ligger praejudicieel zijn zal voor den rechter, dit wegens het zooeven opgemerkte dat het kan neerkomen op het opleggen van onderhoudsplicht.

Omtrent de hier bedoelde tweeledige vraag vgl. in het bizonder het in no. 88 sub b en c vermelde arr. H. R. van 19 Febr. 1906. Zie ook (over art. 231 Gem.wet) Roëll — in no. 88 sub a geciteerd — p. 203 ja. p. 223.

Wat de verordening beoogt, hangt af van de speciale regeling; wat staatsrechtelijk geoorloofd is, van de wetsbepalingen omtrent de bevoegdheid van het gezag, dat den ligger doet vaststellen, respektievelijk zelf vaststelt.

Sluiten