Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar aanleiding van Vitringa's bestrijding der motiveering van de t. a. p. geciteerde jurisprudentie van den H. R.

f>5. cl. De bepalingen in de reglementen dat de liggers den grondslag vormen ter beoordeeling van wederrechtelijke handelingen, en dergelijke, kunnen wel het vaststellen van den ligger niet tot rechtspraak stempelen; maar, in verband hiermee dat beoogd wordt te constateeren hetgeen reeds rechtens is, hebben zij, als de ligger onherroepelijk vaststelt hetgeen er op vermeld staat, materieel dezelfde uitwerking als rechtspraak, vooral waar er te voren reeds een geschil'bestond; vgl. het vorig no. 94 sub c. De hier aangeduide beteekenis wordt aan de bedoelde bepaling gehecht b.v. bij het in no. 88 sub b hiervóór geciteerde arr. H. R. van 16 Nov. 1869, en bij K. B. 23 Jan. 1902 R. v. St. 42 p. 115. — Bij die opvatting is het in den ligger neergelegde oordeel deiadministratie de werkelijke maatstaf, en niet de juistheid van dat oordeel; vgl. het vorig no. 94 sub a. Echter behoeft, bij deze beteekenis, de bedoelde bepaling niet te strijden met een andere, soms in hetzelfde reglement voorkomend, die wijziging van den ligger tengevolge van rechterlijk vonnis beveelt. Zie hieromtrent de Jonge in Bijdr. St.-best. 17 p. 359 nt. 1, en Vitringa in R. Mag. 25 p. 550, waarbij vgl. 1.1. p. 560, het slot van nt. 2 op p. 562—563 en p. 566—570. Vitringa schijnt hier wèl tegenstrijdigheid aan te nemen, doch miskent dan de eigenlijke strekking van laatstbedoelde bepaling in het Geldersche reglement. Daarover vgl. o. a. H. R. 28 Okt. 1862 (geciteerd hierna in no. 98 sub a i. f. j°. sub c aldaar); AV. 3254 p. 6 kol. 2; Rb. Arnhem 10 Juli 1885 W. 5270, W. B. A. 1926, en Rb. Nijmegen 26 Febr. 1867 W. 2881, G. st. 810, W. B. A. 930. Dit laatste vonnis nam uitdrukkelijk aan dat de bepaling: de liggers zijn grondslag, enz. — niet afsnijdt de bevoegdheid van belanghebbenden te reklameeren, ook bij den rechter. — De zooeven genoemde beslissingen, en ook Vitringa 1.1., hebben voornamelijk de openbaarheid der wegen op het oog, maar dit doet niet af voor den zin der in den aanhef van dit no. 95 aangeduide bepaling.

Sluiten