Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— De zooeven meegedeelde praemisse in dit arrest brengt mede dat ongeoorloofd is de conclusie, als zou het ruimte laten voor de meening dat een bewijsregeling, bij verordening vastgesteld, biër wèl toepasselijk kon zijn. — De strafrechter zal, dunkt mij

— volgt men dit arrest van 1866 —, waar de onderhoudsplicht element is van het delikt, buiten de voorschriften op het bewijs om, hier vrij kunnen waardeeren. Daarbij kan hij, doch behoeft niet, af te gaan op den ligger, evengoed als op andere gegevens, — indien n.1. die ligger den onderhoudsplicht enkel constateert, niet oplegt. Zoo zal uit het gedurende langen tijd zonder tegenspraak voorkomen op den ligger m. i. de waarschijnlijkheid mogen afgeleid dat de onderhoudsplicht in vroeger tijd wettig is gevestigd, ingeval geen tegengestelde gegevens tot een andere zienswijs brengen. — Tot gelijk resultaat komt men, als men meent dat titel 21 van het Wetb. v. Sv. hier moet worden toegepast, daar dan in den regel enkel artt. 406—408 Sv. in aanmerking komen ten opzichte van de feiten, die het ontstaan van den onderhoudsplicht betreffen. Een beroep toch voor het bewijs van den onderhoudsplicht zelf op art. 400 Sv. j°. art. 1907 B. W., waarbij dit laatste artikel ver buiten zijn ware grenzen zou worden uitgebreid, kan kwalijk worden aanvaard. (Ygl. hierbij C. W. Star Busmann in T. v. S. 19 p. 3 v. b. en p. 8 v. b.) ') En als bewijs voor het opgelegd zijn van den onderhoudsplicht kan de ligger slechts dienen, zoo hij, die hem vaststelde, tot dit opleggen was gerechtigd; vgl. het volgend no. 97.

c. Bij het voorafgaande zie ook de uiteenzetting van Schepel, Waterschapswetgeving p. 254—256 tegen Vlielander Hein, aldaar

1) Voor het geval dat men uit Léon—Hülshoff no. 15 sub a op art. 400 Sv. mocht afleiden dat volgens het daar geciteerde arr. H. R. van 25 Nov. 1889 een administratieve verklaring als authentieke akte den onderhoudsplicht bewijst, — zij hier aangeteekend dat de t. a. p. vermelde woorden „ten opzichte van den onderhoudsplicht", blijkbaar overgenomen uit den „kop" in W. 5801, niet voorkomen in het arrest. Ze zijn niet onjuist, maar dubbelzinnig. Het arrest nam ten opzichte van den onderhoudsplicht slechts datgene als bewezen aan, wat de authentieke akte relateerde als feitelijk te zijn geschied.

Sluiten