Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die der makers van de wet van 1902, als men zou moeten aannemen dat ten deze voor de provinciale ivaterschapswerordeningen iets anders geldt dan voor de overige. Dit onderscheid zou hier dan moeten steunen op genoemd art. 15 der wet van 1902, meebrengend dat althans de liggers, die voor de in art. 1 dier wet genoemde besturen dienen, geen onderhoudsplicht kunnen opleggen. Is nu echter art. 140 Prov. wet wel voldoende om in andere gevallen het tegendeel aan te nemen? — Vgl. hierbij ook G. de Vkies Az. in Bijdr. St.-Best. 18 p. 99-100 met de noot 1 aldaar. — Ygl. mede het volgend no. 97 sub a.

e. Rijst naar aanleiding van het bedoeld art. 15 wet 1902 de vraag of het aannemelijk is dat, terwijl de rechter in het verzet tegen een dwangbevel, krachtens die wet uitgevaardigd, niet gebonden is aan den ligger, hij zulks (ook indien het geldt een ligger dienend voor een bestuur in art. 1 der genoemde wet bedoeld), wèl zou zijn in een strafzaak, — zeker is dat laatste niet het geval, als men zou moeten aannemen dat art. 400 Sv., den term „burgerlijke zaken" slechts in tegenstelling met „strafzaken" bezigend, óók doelt op de regeling, vroeger van art. 17 der wet van 1841, nu van art. 15 der wet van 1902. Is dit twijfelachtig, — toch zal, voorzoover de liggers krachtens de reglementen als bewijsmiddel zouden moeten beschouwd, in de strafzaak tegenbewijs openstaan (art. 394 Sv.; vgl. ook hierboven" sub b). — En ditzelfde zou bij de zooeven gemaakte onderstelling dat de ligger een bewijsmiddel is, algemeen gelden, — m. i. mede buiten strafzaken, ook waar het niet betreft verzet tegen een dwangbevel. De burgerlijke rechter beslist hier trouwens — dit zal wel de regel zijn — in een publiekrechtelijk geschil, waarin, als de wet het niet bepaalt, de bewijsmiddelen van het B. W. hem m. i. niet binden, zoodat de ligger qua bewijsmiddel •dan niet meer kracht kan hebben dan om 'srechters overtuiging te vestigen. — Ygl. ook nos. 100 en 101 hierna.

ƒ. Yoorzoover de wet dit niet speciaal veroorlooft (zooals in bovengenoemd art. 15 wet 1902), kan bij verordening, dus buiten den verplichte om, tegen dezen geen bewijsmiddel worden ge-

Sluiten