Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1905 (no. 30) W. B. A. 2948, — De nieuwe waterstaatswetgeving schijnt, raadpleegt men de hier geciteerde arresten, ruimte te laten voor dezelfde kwestie; vgl. art. 191 Grw., en artt. 1 jo. 4 wet 20 Juli 1895 Stbl. 139 met art. 1 wet 12 Juli 1855 Stbl. 102. Men lette intusschen op de motiveering van het arr. H. R. 19 Febr. 1906, aangehaald hiervóór in no. 88 sub c jo. b, al is dat arrest zelf hier niet toepasselijk. — Wat de liggers betreft, vgl. het in 't vorig no. 96 sub d gezegde omtrent de opvatting, betreffende hun strekking gehuldigd in art. 15 der wet van 1902, vroeger in art. 17 der wet van 1841.

c. De redaktie van het hierboven sub b genoemde arrest van 1887 zou ook toepasselijk kunnen geacht op gemeenteverordeningen-, vgl. Schepel's op p. 363 hiervóór geciteerde dissertatie, p. 33. — Voor deze werd (afgezien van oudere arresten) de bedoelde bevoegdheid erkend door H. R. 17 April 1866 W. 2792, R.spr. 82 § 44, v. d. Hon. Sr. 22 p. 236, G. st. 765 (op het eerste cassatiemiddel), en door H. R. 19 Okt. 1874 W. 3782, R.spr. 108 § 9, v. d. Hon. G. Z. 28 p. 267, G. st. 1210 W.B. A. 1329. Dit laatste arrest spreekt van regelen en opleggen in dezelfde beteekenis. — H. R. 3 Mei 1875 W. 3860 p. 2 kol. 2—3, R.spr. 110 § 2, v. d. Hon. G. Z. 29 p. 105, G. st. 1245, W. B. A. 1360 ontkende de bevoegdheid tot opleggen niet, doch achtte — hierin afwijkend van het arrest van 1874 — art. 239 Gem.wet toepasselijk. — Ygl. over dit arrest van 1875 G. Pekelharing, Opmerkingen over den Onderhoudsplicht van bizondere personen, enz., diss. Leiden 1880 p. 108—113. — Zie het arrest van 1875 bij Léon—Vos Gem.wet no. 1 op art. 239. — In gelijken zin ook H. R. 15 Okt. 1906 W. 8442 p. 1—2, R.spr. 204 § 1, P. v. J. 590 p. 2, G. st. 2878 sub 7o., W. B. A. 2997. — Vgl. over deze twee arresten G. st. 1242, 1244, 2885 sub 1°. (vgl. ook no. 2078), 2936 sub 15<>., 2937 sub 17o. en 2951 sub 8<>. — Als de laatstgeciteerde arresten van den H. R., ook K. B. 26 Maart 1908 Stbl. 90. — Zie nog, tegen de toepasselijkheid van art. 239 Gem.wet, De Onderhoudpligtigheid (vgl. p. 361 nt. 1 hiervóór) p. 14—16.

Sluiten