Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H. R. 4 April 1881 W. 4638, R.spr. 127 § 34, v. d. Hon. G. Z. 33 p. 34, G. st. 1552, W. B. A. 1671 erkende alleen de bevoegdheid krachtens art. 135 Gem.wet tot het regelen van reeds vaststaanden onderhoudsplicht. Zie ook K. B. 20 Aug. 1869 Stbl. 147. Ygl. overigens Schepel's zooeven genoemde dissertatie p. 30 nt. 2 tegen het onderscheiden in deze tusschen regelen en opleggen. — Over gemeld arrest van 1881 vgl. W.B.A. 1672 en 1673. — Uit het arrest van 1881 schijnt te volgen dat de H. R. toen (contra 0. M.) evenals in 1875 en 1906, aannam dat een gemeenteverordening die verplichting niet kan opleggen, dan met inachtneming van art. 239 jis. 232—237 Gemwet. Het is mogelijk dat ook de hiervóór in no. 92 geciteerde arresten van 1886 en 1891 een uitvloeisel zijn van diezelfde leer.

Over het opleggen van onderhoudsplicht bij gem.-verordening vgl. ook S. M. S. de Ranitz in Themis 1859 p. 555—557; Léon—Yos no. 38 op art. 135 Gem.wet, en Léon Staatsrecht, 2e ed. I op art. 153 Grw. 1840 sub A no. 37; G. st. 717 tegen en no. 1651 vóór de bevoegdheid van provincie en gemeente tot het opleggen van onderhoudsplicht. Zie ook Schreüder (geciteerd op p. 363 hiervóór) p. 343, waarbij vgl. echter 1.1. p. 417—418.

cl. In W. 5643 p. 4 meent A. A. de P(into) dat de bevoegdheid tot het opleggen van onderhoudsplicht niet reeds volgt uit die tot het maken van politieverordeningen, doch alleen kan worden gegeven door de Rijkswet. — De H. R. heeft die bevoegdheid voor Provinciale Staten wèl gegeven geacht, uitdrukkelijk bij het in no. 88 hiervóór geciteerde arrest van 19 Febr. 1906; in vroegere arresten, t. a. p. mede vermeld, implicite. — Althans wordt ook door die van 4 Mei 1858 W. 2097, en van 5 Okt 1859 v. d. Hon. G. Z. 16 p. 235, de bindende kracht der liggers afgeleid uit de staatsrechtelijke bevoegdheid van Prov. St. tot regeling van onderhoudsplicht. — Ygl. echter ook de motiveering van H. R. 9 Febr. 1858, hiervóór in no. 88 sub c. — Bij het voorafgaande zie ook de opmerking van Vitringa in R. Mag. 25 p. 558, hoewel speciaal op openbaarheid van wegen doelende. Vgl. verder ook H. R. 26 April 1889 W. 5709, R.spr. 151 § 67,

Sluiten