Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gem.-verordening onderhoudsplicht kan opleggen naar goedvinden.

ƒ. Ten opzichte van de vraag, of een civiele onderhoudsplicht kan verzwaard bij publiekrechtelijke regeling — waarover vgl. K. B. 20 Febr. 1905 Stbl. 80, en G. st. 1651 — zie op art. 2 R. O. sub B § 4.

E. (n). Gebondenheid van den redder aan administratieve liggers van wegen, voetpaden, waterleidingen, enz. ten opzichte der openbaarheid ').

08. a. Dat de liggers ten aanzien der openbaarheid den rechter niet binden, is de sedert 1873 vaste jurisprudentie van den H. R.

Aldus in strafzaken: H. R. 28 Okt. 1901 W. 7668, R.spr. 189 §11, v. d. Hon Sr. 1901 p. 387, P. v. J. 1901 no. 93; H. R. 20 Nov. 1899 W. 7369 p. 2 kol. 1—2, R.spr. 183 §47, v. d. Hon. Sr. 1899 p. 474, P. v. J. 1899 no. 98; H. R. 29 Juni 1896 W. 6844 p. 1 kol. 1, R.spr. 173 § 41, v. d. Hon. G. Z. 42 p. 155, P. v. J. 1896 no. 69 p. 2—3, bij welk arrest vgl. J. v. G. Yitringa in R. Mag. 25 (1906) p. 566—567. — Implicite ook H. R. 29 Juni 1896 W. 6842 p. 2 kol. 1—2, R.spr. 173 § 42, v. d. Hon. Sr. 1896 p. 265, P. v. J. 1896 no. 69 p. 2 kol. 1—3. — Verder H. R. 24 Febr. 1896 W. 6775, R.spr. 172 § 32, v. d. Hon. G. Z. 42 p. 30, P. v. J. 1896 no. 23, W. B. A. 2447; H. R. 20 Nov. 1893 W. 6429, R.spr. 165 § 35, v. d. Hon. Sr. 1893 p. 278 en G. Z. 40 p. 345, P. v. J. 1893 no. 103, casseerend Ktg. Gorinchem 17 Juli 1893 W. 6474, waarbij was geoordeeld dat de ligger de openbaarheid bewijst, behoudens tegenbewijs; — H. R. 3 Okt. 1887 W. 5476, R.spr. 147 § 4, v. d. Hon. Sr. 1887 p. 316 en G. Z. 37 p. 6, W. B. A. 2007; H. R. 5 Nov. 1883 W. 4969, R.spr. 135 § 9, v. d. Hon. G. Z. 34 p. 225, G. st. 1690, W. B. A. 1806 (contra O. M.); H. R. 20 Jan. 1873 W. 3566, R.spr. 103 §8, v. d. Hon. G. Z. 27 p. 32, R. B. 1873 p. 394, W. B. A. 1244, tegen welk arrest zich kantte de concl. 0. M. vóór H. R. 27 Okt. 1873 W. 3659,

x) Zie de noten hiervóór op p. 355.

Sluiten