Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de rechterlijke macht. — Zie de bestrijding van dit beroep op art. 2 R. O. en art. 153 Grw. in deze materie door J. v. G. Vitkinga in R. Mag. 25 (1906) p. 546—548, waarbij vgl. p. 548—553. Overigens neemt deze schrijver, evenmin als de H. R., gebondenheid van den rechter aan den ligger ten deze aan, zie 1.1., speciaal p. 544, 546, 553 en 558. — Hoe juist het door Vitring-a aangevoerde tegen een argument te ontleenen aan art. 2 R. O., als men eenmaal aanneemt dat het administratief gezag bij het vaststellen van den ligger geen rechtspraak uitoefent, ook zij — ten betooge dat dit inderdaad niet het geval kan wezen, schijnt mij het bedoelde argument toch gewettigd, omdat, ware het rechtspraak, bindend (en niet louter praejudicieel) zou worden beslist dat de weg, als openbaar, moet staan op den ligger; vgl. ook de op p. 363 hiervóór geciteerde dissertatie van Schepel p. 14—15, — W. B. A. 2822 p. 2 kol. 1 v. o., — en nos. 94 sub c jo. 95 sub d hiervóór. — Buitendien moet het beroep van den H. R. in deze materie op art. 2 R. O. in verband worden beschouwd met de motiveering der in no. 88 sub b en c hiervóór geciteerde arresten van 4 Mei 1858 en andere, die gebondenheid van den strafrechter aan den ligger voor onderhoudsplicht meenen te kunnen rechtvaardigen door er op te wijzen dat een geschil over dezen last niet krachtens de Grondwet (respektievelijk art. 2 R. O.) bij de rechterlijke macht behooit. Met het oog mede op de reserve, vervat in het p. 249 hiervóór vermelde arr. H. R. van 16 Nov. 1885, en wegens art. 153 Prov. wet, schijnt de gedachtengang van den H. R. dan deze, — dat krachtens dit laatste artikel aan het administratief gezag is voorbehouden de beslissing omtrent de uitvoering der provinciale reglementen op de wegen in zake onderhoudsplicht, doch niet in zake openbaarheid, omdat de beslissing over de openbaarheid, als geschilpunt van burgerlijk recht, ingevolge art. 2 R. O. uitsluitend toekomt aan de rechterlijke macht, welke in dit stelsel hier is de „ander" bedoeld in art. 153 i. f. Prov. wet. — Ygl. intusschen het hiervóór in nos. 42 en 88 sub c tegen het stelsel van den H. R. opgemerkte.

Sluiten