Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over de civielrechtelijke natuur van den grond, waarover de weg loopt, noch over de vraag of die grond is bezwaard met een publiekrechtelijken last, zoodat er ook niet uit kan afgeleid dat de grond als openbare weg moet beschouwd tot de beslissing door den rechter, dat hij verkeerdelijk op den ligger is geplaatst. Nagenoeg evenzoo H. R. 17 Nov. 1892 W. 6271, R.spr. 162 § 35, v. i). Hon. B. R. 58 p. 414, P. v. J. 1893 no. 15, en H. R. 23 Dec. 1864 W. 2650, R.spr. 78 § 38, v. d. Hon. B. R. 29 p. 154, G. st. 695, W. B. A. 811. Bij dit laatste arrest, dat de cassatie verwierp tegen het in gelijken zin gewezen vonnis van Rb. Deventer 16 Maart 1864 W. 2616, R. B. 1865 p. 108, — vgl. Vitringa in R. Mag. 25 p. 547 nt. 1 en p. 557. — Implicite ook in denzelfden zin als de zooeven geciteerde arresten: H. R. 30 Juni 1882 W. 4795, R.spr. 131 § 32, v. d. Hon. B. R. 47 p. 479 en G. Z. 33 p. 456, R. B. 1882 A p. 80, G. st. 1616, W. B. A. 1735, de cassatie verwerpend tegen Hof 's Grav. 21 Nov. 1881 W. 5055, R. B. 1.1. p. 76, waarbij was bevestigd Rb. Middelburg 20 Okt. 1880 W. 4640, R. B. 1.1. p. 73, W. B. A. 1672, welk vonnis den ligger uitdrukkelijk aanmerkte als een zuiver administratieve regeling, waardoor zulk een aantasting van den eigendom als het vestigen van den last van openbaarheid zijn zou, niet kan geschieden. — Vgl. ook H. R. 4 Mei 1900 W. 7449, R.spr. 185 ■» § 2, v. d. Hon. B. R. 66 p. 232, P. v. J. 1900 no. 50, G. st. 2549, W. B. A. 2683, casseerend Hof Arnhem 26 April 1899 W. 7334, P. v. J. 1.1., waarbij was vernietigd Rb. Tiel 28 Jan. 1898 W. 7178. Dit vonnis had den ligger als een vermoeden voor de openbaarheid aangenomen, tegenbewijs niet uitsluitend. Het Hof oordeelde dat de ligger wel tegenover hem, die beweert eigenaar van den weg te zijn, alle bewijskracht omtrent de openbaarheid mist, — doch dat hij die wèl heeft ten aanzien van derden, die geen zakelijk recht op den weg pretendeeren, en dit dan zonder tegenbewijs. In dien laatsten zin ook Rb. Rott. 11 April 1904 W. 8132, en H. v. Loghem in Themis 1865 p. 18—19. Hiertegen echter overwoog het zooeven genoemde arr. H. R. van 1900 dat, al kon art. 1959 B. W. niet zijn geschonden door de bewijskracht

Sluiten