Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den ligger als vermoeden aan te nemen, dit artikel verkeerd was toegepast door tegenbewijs uit te sluiten. — Vgl. no. 101 hierna, en Vitringa 1.1. p. 545 en 552—553, alwaar er op wordt gewezen dat de H. R. bij de arresten in strafzaken van 20 Jan. 1873 en 20 Nov. 1893 (beide vermeld in het vorig no. 98 sub a), uitdrukkelijk in het midden had gelaten de bewijskracht der liggers tegenover derden. Hierbij worde nog opgemerkt dat, terwijl deze arresten voor het niet bindend karakter van den ligger tegenover den eigenaar, zich beroepen op art. 153 Grw., — naar ditzelfde artikel wordt verwezen dooi' het mede in het vorig no. 98 sub b geciteerde arr. H. R. van 25 Nov. 1895, in een geval dat een derde zich op de openbaarheid van een weg beriep, zonder dat toen echter de bewijskracht van een ligger ter sprake kwam. — Bij het bovenstaande vgl. ook J. A. v. Hamel in W. v. N. R. 1927.

ƒ. Van de lagere colleges besliste in gelijken geest als de boven sub e vermelde jurisprudentie van den H. R., Hof Arnhem 12 April 1899 W. 7330, aan den ligger bindende kracht ontzeggend tegenover den rechthebbende op den weg.

Hiermee schijnt in strijd de opvatting dat plaatsing op den ligger van openbare wegen is aantasting van het eigendomsrecht, omdat die daad recht zou verleenen aan het publiek om van den weg gebruik te maken. Dit laatste overwoog Hof Arnhem 28 Dec. 1898 W. 7266, W. B. A. 2607, W. v. N. R. 1534, vernietigend Rb. Arnhem 7 April 1898 W. 7164, G. st. 2461, waarbij was aangenomen dat enkele plaatsing op den ligger het eigendomsrecht niet krenkt. Deze zienswijs der Rechtbank is ook die van G. st. 729 p. 2 nt. 1, van Hazelhoff, De Competentie der Justitie (1889) p. 45, en van Yitringa 1.1. p. 562. Vgl. ook W. 3254 p. 6 kol. 2. — Het geciteerde arr. Hof Arnhem is daarentegen in den geest o. a. van H. R. 16 Maart 1877, vermeld sub' Alg. Begins. XI no. 30, zie aldaar. — Mede in dien zin b.v. Hof Leeuw. 14Sept. 1881 W. 4682, R. B. 1882 D p. 5. — Echter bedoelde het Arnhemsche Hof in 1898 klaarblijkelijk met de hierboven aangehaalde overweging enkel dat de ligger de strekking heeft

Sluiten