Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

singen a quo), waarbij werd overwogen dat een prov. reglement de openbaarheid niet kan scheppen. — Zoo oordeelde K. B. 29 Febr. 1896 R. v. St. 36 p. 202 dat de liggers de openbaarheid constateeren; hier voor het geval dat het administratief gezag eigenaar is van den weg. — Daarentegen nam Rb. Rott. 11 April 1904 W. 8132 aan dat zij de openbaarheid opleggen (vgl. Vitringa in R. Mag. 25 p. 545-546). — Ygl. hierbij W. B. A. 975 p. 1.

De zooeven genoemde vragen moeten in verband worden gebracht met de bepaling in de reglementen dat de liggers de grondslag zijn ter beoordeeling van overtredingen, eventueel ook met die dat zij worden gewijzigd tengevolge eener rechterlijke uitspraak. Vgl. hiervóór nos. 94—97 en 98 sub c.

Wat betreft de liggers als bewijsmiddel voor de openbaarheid op grond der desbetreffende reglementen, is, behalve het daaromtrent ten opzichte van den onderhoudsplicht in no. 96 hiervóór gezegde, nog dit op te merken. Zoo de openbaarheid moet beschouwd als een rechtstoestand, beheerscht door het burgerlijk recht (hetgeen intusschen zeer betwist is; vgl. daaromtrent hierna nt. 2 op p. 397 en de noot op p. 400), — kunnen voor de bewijslevering de vermoedens van het B. W., en eventueel ook het beginsel van art. 47 der Overgangswet van 16 Mei 1829 Stbl. 29, in aanmerking komen. Vgl. ook ten aanzien van strafzaken Modderman en F. Buys, geciteerd in de noot op p. 250, in verband met no. 96 sub b hiervóór.

De vraag of de liggers openbaarheid kunnen opleggen, staat niet in alle opzichten gelijk met die of zij onderhoudsplicht kunnen scheppen; vgl. ook Reuyl in R. Mag. 15 p. 604. — Voor openbaarheid wordt het vaak ontkend op dézen grond dat de eigendom er door wordt aangetast in zijn hoofdbestanddeelen: vrij genot en beschikking, en dat die beschikking dan wordt gegeven aan derden (het publiek). Zóó grootendeels de in de voorgaande nos. 98 en 99 aangehaalde jurisprudentie, voorzoover deze geen gebondenheid van den rechter aan den ligger aanneemt. Zóó ook H. R., twee arresten van 6 Nov. 1899 W. 7358 p. 1 en p. 2, R.spr. 183 § § 32 en 33, v. d. Hon. G. Z. 44 p. 334 en

Sluiten