Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

325, P. v. J. 1899 nos. 98 en 100, G. st. 2516, W. B. A. 2654, alsmede H. R. 20 Mei 1889 W. 5720, R.spr. 152 § 16, v. d. Hon.

G. Z. 38 p. 121, P. v. J. 1889 no. 73, G. st. 1971, W. B. A. 2094. — Vgl. echter het slot van H. R. 13 Jan. 1902 W. 7711, R.spr. 190 § 7, v. d. Hon. G. Z. 47 p. 5, P. v. J. 124, G. st. 2640. — Zie ook, speciaal tegen de genoemde arresten van 1899, Oppenheim, Ned. Gem.recht, 3. ed. I p. 357—360, waarbij vgl. Vitringa in R. Mag. 25 p. 568—569, en Schepel's (op p. 363 hiervóór geciteerde) dissertatie, p. 18—27 en 40—41. — Vgl. hierbij mede de_ jurisprudentie, die aanneemt dat de openbaarheid den eigendom niet opheft. Zie de in het vorig no. 99 sub e genoemde arresten

H. R. van 3 Febr. 1893 en 17 Nov. 1892, alsmede die, betrekkelijk dit punt geciteerd in de concl. O. M. vóór H. R. 16 Maart 1877 W. 4096, R.spr. 115 § 40, v. d. Hon. B. R. 42 p. 152. Vgl. ook de Pasicrisie, Alph. Ged. IV i. v. Wegen nos. 21, 65, 205, v. Loghem in Bijdr. St.-Best. 14 p. 120—122, en C. G. v. Reeken in Themis 1893 p. 24—27. — Vgl. verder W. B. A. 2812 p. 2 (= 2777) en 2823 p. 1.

ÏOI. i. Het hiervóór in den aanhef van no. 98 sub a geciteerde arr. H. R. van 28 Okt. 1901 overwoog dat, al volgt uit den ligger niet rechtens de openbaarheid, hij toch kan gebezigd als aanwijzing voor de bestemming tot openbaren weg'), terwijl

!) Inzoover kan, let men op het slot van het K. B. van 15 April -1907 R. v. St. 47 p. 391 v. o., worden beweerd dat de Kroon, blijkbaar volgend de jurisprudentie van den H. R., welke voor openbaarheid, waar geen verjaring wordt aangenomen, noodig acht bestemming hiertoe door den rechthebbende, — in haar eischen voor het bewijs dier bestemming tegenwoordig nog strenger schijnt te gaan worden dan de rechterlijke macht, die naar het hier in den tekst gezegde, het voorkomen op den ligger als aanwijzing der bestemming laat gelden. Nu kon wel in het geval van het zooeven genoemde K. B., het vermoeden eventueel te putten uit den ligger en uit het jarenlang niet daartegen opkomen, ontzenuwd worden geacht door tegengestelde gegevens; maar het K. B. oordeelde, dat dit daargelaten, de hier gegeven beslissing, ondanks den ligger, voldoende gemotiveerd was met het gemis aan bewijs der bestemming. Komt dit niet neer op een absolute verwerping van den ligger als bewijsmateriaal? Deze zou ook kunnen gezocht in arresten van den H. R. als die

Sluiten