Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de kracht van aanwijzingen in cassatie niet kan onderzocht. Ten opzichte van dit laatste — waarover zie nader op art. 99 R. O. >) — vgl. ook voor andere aanwijzingen dan den ligger: H. R. 25 Nov. 1907 W. 8625, in gelijken zin, met bijvoeging dat uit de opgesomde aanwijzingen de bestemming tot openbaren weg kon afgeleid; wat met het oog èn op de taak van den H. R. in cassatie, èn op de uitdrukkelijke verwijzing daarnaar in de overweging betreffende de kracht der aanwijzingen, wel zóó zal moeten worden opgevat, dat bedoeld is: zonder wetschennis kon afgeleid. Ditzelfde geldt dan ook voor H. R. 3 Juni 1907 "W. 8561 p.- 1—2, R.spr. 206 § 27, P. v. J. 671. Ygl. echter het slot van het arr. H. R. 11 Maart 1907 W. 8509 p. 1 kol. 2—3, R.spr. 205 § 41, P. v. J. 629 p. 1—2, G. st. 2901 sub 6<>, W. B. A. 3020, waarbij zekere aanwijzingen (niet bestaande in het voorkomen op den ligger) voor de bestemming tot openbaren weg, als zoodanig werden gewraakt. — Ygl. ook Vitringa in R. Mag. 26 p. 5 nt. 2 2),

van 20 Nov. 1899 en van 29 Juni 1896 W. 6844, beide geciteerd hiervóór in no. 98 sub a. Echter is het de vraag, of de bedoeling toen wel verder reikte dan de omstandigheden van het besliste geval, n.l. de constructie van het bewijs in de beslissingen a quo, meebrachten.

1) Vgl. aldaar ook de jurisprudentie, die als feitelijk aanmerkt de beslissing der vraag of een weg door den rechthebbende tot algemeen gebruik is bestemd.

2) Vitringa merkt daar terecht op dat de H. R. tegenwoordig wèl de bestemming tot openbaarheid, doch niet de openbaarheid zelf door aanwijzingen bewijsbaar acht. Inderdaad worden door aanwijzingen feiten bewezen, en is — m. i. althans — de openbaarheid rechtens geen bloot feit, maar een rechtstoestand. Is dit zoo, dan moet uiteengehouden het nu tot openbaarheid bestemd zijn, d. i. de openbaarheid als rechtstoestand, — en het daaraan voorafgaande feit van het geven der bestemming tot openbaarheid. En dan is die laatstbedoelde daad ook een rechtshandeling; vgl. W. B. A. 2821 p. 1 kol. 3, bestreden door Vitringa 1.1. p. 15—23; vgl. denzelfde in R. Mag. 22 p. 19,29, 176—177. — Dit punt heeft m. i. praktisch belang, omdat als men, zoolang de bestemming tot openbaarheid gehandhaafd blijft, een recht tot gebruik voor iedereen aanneemt, — schending hiervan grond kan geven tot een vordering, steunend op art. 1401 B. W., ook bij de uitlegging van dit artikel, door den H. R. aangenomen; vgl. hierover Vitringa in R. Mag. 26 p. 16, 18, 22; vgl. ook H. G. Jordens in N. Bijdr. 1873 p. 111—112, 124, en Rb. Rott. 2 Jan.

Sluiten