Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en 1.1. 25 p. 545 over het bezigen van den ligger, in strafzaken als aanwijzing, in burgerlijke als grond tot vermoeden voor de (bestemming tot) openbaarheid, waarbij dan tegenbewijs openstaat. Behalve de daar genoemde beslissingen, in gelijken zin in burgerlijke zaken (zie ook no. 99 hiervóór): Hof Arnhem 29 Mei 1878 W. 4274, hiei mede in verband met het niet reklameeren tegen den ligger; en, in strafzaken. Rb. Dordt 9 Dec. 1904 8177, overwegend dat de bestemming tot openbaren weg mag aangenomen, bij door den rechthebbende gedoogd gebruik vanwege het publiek, in verband met het staan op den ligger. — Vgl. hierbij G. de Vries Az. in Bijdr. St.-Best. 18 p. 104 v. o.

j. Zie in het algemeen over de kenteekenen, door de jurisprudentie aangenomen voor de openbaarheid: ViTRiNG-Ain R. Mag. 26 p. 3—5 en p. 31—32; vgl. mijn opmerking in W. 8488 p. 4 in de noot. Daarbij worde hier nog aangeteekend dat, terwijl de burgerlijke kamer van den H. R. ook verjaring aanneemt als wijze van ontstaan der openbaarheid '), — de strafkamer J) enkel de bestemming door den rechthebbende schijnt te erkennen, althans als de openbaarheid niet zóó notoir is dat de rechter ze uit eigen wetenschap kan aannemen (zie Vitringa 1.]. p. 4). Bij de door Vitringa t. a. p. geciteerde arresten van den H. R. zijn nu nog te voegen die van 11 Maart en 3 Juni 1907, hier boven in dit no. 101 sub i vermeld. Verder H. R. 6 Mei 1907 W. 8545 p. 1—2, R.spr. 206 § 7, P. v. J. 673, W. B. A. 3032, en H. R. 30 Dec. 1907 W. 8642 p. 1 kol. 1—2, P. v. J. 718. Zie ook de conclusies van het O. M. vóór H. R. 12 April 1897 W. 6953, R.spr. 175 § 56, v. d. Hon. Sr. 1897 p. 108, en vóór H. R. 11 Okt. 1886 W. 5352, R.spr. 144 § 2, v. d. Hon. G. Z. 36 p. 182, P. v. J. 1886 no. 44,

1861 W. 2256. — Vgl. hierbij ook Germersiiausen (geciteerd p.394 hiervóór) § 5 no. 2, p. 94—97 ,jo. § 41 no. 10 ad c p. 610. —

1) Vgl. H. R. 18 April 1902 W. 7756, R.spr. 190 § 58, v. d. Hon. B. R. 68 p. 189, P. v. J. 148, W. B, A. 2770, en het in no. 99 sub e hiervóór vermelde arr. H. R. van 1892.

2) Vgl. b.v. H. R. 29 Dec. 1902 W. 7856 p. 3, R.spr. 192 § 45, v. d. Hon. G. Z. 47 p. 202, P. v. J. 208, G. st. 2693, W. v. N. R. 1738.

Sluiten