Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

p. 21—24 en no. 9, p. 30—32. — Zie verder O. Just, Wegeordnung für die Provinz Westpreussen v. 27 Sept. 1905 (1906) § 2 jo. § 3, p. 15—19 ja. p. 14, — Ygi, hierbij voor het Duitsche recht ook O. Mayer, Deutsches Verwal tungsrecht II p. 169-170.

Dat het niet vermeld staan op den ligger geen beletsel is om openbaarheid aan te nemen, is beslist door H. R. 11 Okt. 1897 W. 7028 p. 1 kol. 2—3, R.spr. 177 § 7, v. d. Hon. G. Z. 43 p. 142, P. v. J. 1897 no. 89, G. st. 2412 (hier zelfs ondanks de bepaling van het reglement dat de liggers grondslag waren ter beoordeeling van overtredingen); H. R. 19 April 1875 W. 3852 p. 1—2, R.spr. 109 § 34, v. d. Hon. G. Z. 29 p. 71, en H. R. 6 Maart 1860 W. 2150 p. 1 kol. 1—2, R.spr. 64 § 30, v. d. Hon. Sr. 1860 p. 49.

k. Be iure constituendo worde hier enkel het volgende opgemerkt.

Voorzoover de openbaarheid, althans de last van openbaarheid, een burgerlijke rechtsbetrekking mocht zijn '), moet ingevolge art. 153 Grw. de rechterlijke macht daarover (bindend) beslissen. Om deze reden zou, hetgeen p. 361 v. o. hiervóór is gezegd ten aanzien van onderhoudsplicht, — voor de openbaarheid in dien zin moeten aangevuld, dat de administratieve rechter slechts dan in de zaak kan gemengd, als hij deel uitmaakt der gewone rechterlijke macht. — Wat het opleggen van openbaarheid betreft, komt hier nog in aanmerking het sterk ingrijpende er van in het eigendomsrecht, en kan het toekennen van schadevergoeding, als daartoe termen zijn, overweging verdienen.

1) Vgl. W. B. A. 2821—2823 ji». 2771, 2777 (2812) en 2816; Vitringa in R. Mag. 26 p. 33-34 ja. p. 38; zie nader op art. 2 R. O.

Sluiten