Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XVI. Beoordeeling der rechtmatigheid van bestuursdaden door de rechterlijke macht *).

§ 1.

Rechterlijk onderzoek naar de competentie voor de bestuursdaad.

1. Ten opzichte der bevoegdheid van de rechterlijke macht tot het beoordeelen van bestuursdaden zijn de meeningen —

i) Het staats- en administratiefrechtelijk begrip «bestuursdaad», hoewel niet geheel vaststaande, behoeft hier niet nader te worden onderzocht, daar de gevallen, waarbij in dit hoofdstuk twijfel daaromtrent rijst, niet belangrijk genoeg zijn om zulk een onderzoek hier ter plaatse noodig te maken. — Men zie over de beteekenis van den term «acte administratif» in Frankrijk naar de wetten van 16/24 Aug. 1790 en 16 fructidor an III, (ofschoon m. i. voor ons niet van direkt belang): Laferrière, Traité de la juridiction administrative I, le éd. (1887) p. 428—430, waar in hoofdzaak twee opvattingen tegenover elkaar worden gesteld, die van vóór 1800 en de thans in Frankrijk geldende. De laatste schijnt mij, zooals L. ze weergeeft, niet scherp genoeg afgebakend. — Vgl. hierbij ook O. Mayer, Deutsches Verwalt. recht I (1895) p. 59 en 95—96, waarbij is op te merken dat Laferrière 1.1. op één lijn stelt: «les actes et les opérations qui se rattachent a 1'exercice de la puissance publique».

Van de bestuursdaden vormen de eigenlijke Regeeringsdaden een onderdeel. En van deze zijn weer een bizondere soort de in Frankrijk dusgenaamde actes de gouvernement (tegenover de actes d'administration), waaromtrent vgl. no. 35 hierna.

De in dit Hfdst. XVI bedoelde beoordeeling van bestuursdaden betreft haar rechtmatigheid, niet haar doelmatigheid. Over deze laatste zie sub Alg. Begins.

XVII. — Vgl. aangaande die tegenstelling ook hierna no, 9 sub t en u.

Als vervolg van Hfdst. XV handelt dit Hfdst. XVI over de vraag, in hoever de voor het aanhangig geschil competente rechter bestuursdaden mag beoordeelen, voorzoover dit oordeel op zijn uitspraak van invloed is. — Men zou daarom kunnen meenen dat hier niet t'huis behooren die beslissingen, waarbij op motief dat de rechter zich van bedoelde beoordeeling heeft te onthouden, zijn incompetentie voor het geheele geschil wordt aangenomen. Echter vormt deze motiveering op zich zelf een tegenstelling tot de jurisprudentie, waarbij niet slechts competentie voor het aanhangig geding, doch ook de bevoegdheid tot beoordeeling van bestuursdaden wordt aanvaard. Om die reden zijn beide zienswijzen hier vermeld. Zie ook Alg. Begins. IX no. 33 j°. no. 31. Vgl. mede t. a. p. nos. 34 - 37.

26

Sluiten