Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ging. Deze opvatting doet (de juistheid der daaraan ten grondslag liggende mandaatstheorie nu overigens daargelaten) de vraag opperen, of de rechter dan het oordeel over bedoeld te buiten gaan van het mandaat in het algemeen heeft over te laten aan den lastgever? — Eigenaardig is het dat in dezelfde conclusie (1.1. p. 35) werd gezegd, dat in een eisch tot schadevergoeding wegens inbreuk op burgerlijke rechten, de rechter de wettigheid der bestuursdaad wèl mag beoordeelen. Zóó ook, meer in het algemeen voor de beoordeeling van louter administratiefrechtelijke vragen (het betrof hier de wettigheid eener benoeming door Burg. en Weth.), waar dit noodig is voor de beslissing van burgerlijke of strafzaken, — de conclusie van denzelfden Adv.-Gen. vóór Hof N.-Holl. 6 Okt. 1845 W. 671, nader vermeld in no. 17 sub c hierna. — Bij de eerstbedoelde conclusie vgl. ook het slot van het arrest van het Hof in R. B. 1846 p. 45 en in W. 669.

Tegen rechterlijk onderzoek naar de competentie der administratie, verklaarden zich bij de behandeling van het Ontw. Recht. Org. van Min. de Vries, de leden der Tweede Kamer v. Loon en v. Beyma thoe Kingma; zie hierna no. 9 sub u.

8. PRAzaK meent in Archiv für öffentliches Recht 4 p. 284— 285 nt. 106 en 107, dat een onrechtmatige bestuursdaad niet leidt tot een privaatrechtelijk geschil (anders onze jurisprudentie, zie deze op art. 2 R. O. sub E), — en dat daarom de rechtmatigheidskwestie niet praejudicieel is voor den gewonen rechter. Hij zondert daarvan uitdrukkelijk uit de vraag, of de daad behoort tot de competentie van den beambte, als argument aanvoerend dat de beambte, die zijn competentie overschrijdt, niet handelt als zoodanig, doch privaat persoon wordt. Hoewel tegen deze laatste bewering bedenkingen zouden kunnen aangevoerd, die intusschen hier achterwege moeten blijven'), — is toch inderdaad degeen, die zijn competentie te buiten gaat, objektief niet het aangewezen gemeenschapsorgaan2). Daarom kan in het

1) Enkel worde de vraag gesteld of b.v. in de gevallen, waarop het volgend no. 3 betrekking heeft, de Regeering kan gezegd in privé te hebben gehandeld.

2) Zie de nt. 1 op p. 319 hiervóór.

Sluiten